Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1446

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
200.338.708/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:52 BWArt. 7:907 BWArt. 2 WCAM-overeenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenleaseovereenkomst vernietiging en verjaring van rechtsvordering

De afneemster heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia een effectenleaseovereenkomst gesloten zonder schriftelijke toestemming van haar echtgenoot. De echtgenoot heeft de overeenkomst vernietigd op grond van artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro. Dexia betwist de vernietiging en beroept zich op verjaring van de rechtsvordering.

De kantonrechter heeft de effectenleaseovereenkomst vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling aan de afneemster. Dexia gaat in hoger beroep tegen het oordeel dat de vernietigingsvordering niet is verjaard. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen vanaf het moment dat de echtgenoot daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomst.

Het hof neemt aan dat de betalingen vanaf een en/of-rekening zijn gedaan, wat een bewijsvermoeden schept dat de echtgenoot vóór 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomst. De afneemster krijgt de gelegenheid tegenbewijs te leveren, onder meer door getuigenverhoor. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd.

Uitkomst: Het hof staat toe dat de afneemster tegenbewijs levert tegen de stelling dat de echtgenoot vóór 13 maart 2000 bekend was met de effectenleaseovereenkomst en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.338.708/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 10206996 EL 22-142
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 mei 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia en de afneemster genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

Dexia is bij dagvaarding van 21 februari 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 23 november 2023, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de afneemster als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlaten producties van Dexia.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.

2.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
2.1.
De afneemster heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomst gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomst). De effectenleaseovereenkomst is op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekening heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomst zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer]
30-12-1999
[naam 1]
120 mnd
03-10-2006
-/- € 5.744,06
2.2.
[naam 2] (hierna: de echtgenoot), met wie de afneemster ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst was gehuwd, heeft de afneemster geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomst.
2.3.
Bij brief van 6 juni 2005 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenoot met een beroep op artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro meegedeeld de effectenleaseovereenkomst te vernietigen.

3.Beoordeling

3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van Pro de WCAM-overeenkomst. De afneemster en de echtgenoot hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
3.2.
Deze procedure ziet op een door de afneemster met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomst waarvan de echtgenoot de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.
3.3.
De kantonrechter heeft voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomst is vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan de afneemster ter zake de effectenleaseovereenkomst te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan de afneemster de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.
3.4.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. Dexia heeft onder meer een grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst door de echtgenoot niet is verjaard.
3.5.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomst moet worden aangemerkt als overeenkomst van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder d BW. De echtgenoot heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW Pro het recht de effectenleaseovereenkomst, die de afneemster is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afneemster geen schriftelijke toestemming is gegeven.
3.6.
Uit artikel 3:52 lid Pro 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW Pro volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW Pro vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW Pro kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.
3.7.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment hij wist of begreep dat hij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot kan worden afgeleid.
3.8.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenoot tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenoot pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenoot daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).
3.9.
Dexia heeft in dit verband, onder meer, aangevoerd dat de maandelijkse betalingen aan Dexia voor de effectenleaseovereenkomst van een en/of-rekening op naam van de afneemster en de echtgenoot zijn gedaan, zodat aangenomen moet worden dat de echtgenoot vanaf de ontvangst van het oudste bankafschrift betreffende een betaling aan Dexia op de hoogte is geraakt van de effectenleaseovereenkomst. De afneemster heeft erkend dan wel onvoldoende weersproken dat de betalingen vanaf de en/of-rekening zijn gedaan.
3.10.
Het hof ziet aanleiding om eerst deze stelling te behandelen en laat dus vooralsnog in het midden waartoe de overige stellingen en/of verweren van Dexia moeten leiden. Aan het feit dat de betalingen zijn gedaan vanaf de en/of-rekening, ontleent het hof het bewijsvermoeden dat de echtgenoot op de datum van het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia is vermeld, bekend werd met de effectenleaseovereenkomst (vergelijk HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506). Dit brengt mee dat Dexia voorshands is geslaagd in het bewijs dat de echtgenoot vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst bekend is geworden. Het is vervolgens aan de afneemster om overeenkomstig haar aanbod tegenbewijs te leveren van deze bekendheid. Het hof zal hiertoe de gelegenheid geven zoals hierna onder 4.1 is vermeld.
3.11.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.Beslissing

Het hof:
4.1.
laat de afneemster toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als bewezen geachte stelling dat de echtgenoot vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst bekend is geworden;
4.2.
bepaalt dat als de afneemster dit tegenbewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. J.W.M. Tromp, die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 17 juni 2026 om 12:30 uur;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, L. Alwin en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.