Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1293

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
24/3314
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZArt. 8:75 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:114 AwbArt. 8:115 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep WOZ-waarde woning 2022: schending hoor en wederhoor, terugwijzing naar rechtbank

De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een woning voor 2022 vast op €303.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende een beperkte immateriële schadevergoeding toe en wees proceskosten toe. Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het Hof.

Tijdens de procedure klaagde de gemachtigde van belanghebbende dat hij niet was uitgenodigd voor de zitting bij de rechtbank en dat de rechtbank onterecht zonder nieuwe zitting uitspraak had gedaan, terwijl was toegezegd dat bij uitblijven van intrekking een nieuwe zitting zou volgen. Het Hof constateerde dat hierdoor het recht op hoor en wederhoor was geschonden.

Het Hof oordeelde dat het belang van een behoorlijke procesgang zwaarder weegt dan het belang van finale afdoening en maakte daarom gebruik van zijn bevoegdheid om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank voor een nieuwe inhoudelijke behandeling. Tevens veroordeelde het Hof de heffingsambtenaar in beperkte proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan belanghebbende wordt terugbetaald.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor een nieuwe inhoudelijke behandeling wegens schending van het recht op hoor en wederhoor.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3314
24 maart 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Y] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. A. Bakker)
tegen de uitspraak van 4 juni 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/5605 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] ,de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 25 februari 2022 op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat] 14 te [Y] (hierna ook: de woning) voor het kalenderjaar 2022 naar waardepeildatum
1 januari 2021 vastgesteld op € 303.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2022 bekendgemaakt.
1.2.
Bij uitspraak van 16 september 2022 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft als volgt op het beroep tegen de uitspraak op bezwaar beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het vergoeden van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 218,75;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van de proceskosten en de immateriële schade vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening op naam van belanghebbende door verweerder is ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening.”
1.4.
Belanghebbende heeft op 16 juli 2024 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof en dit nader gemotiveerd bij brief van 3 september 2024.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Op 22 december 2025 heeft het Hof aan de gemachtigde verzocht een volmacht van belanghebbende niet ouder dan drie maanden voor de datum van instellen van het hoger beroep te overleggen. Op 6 januari 2026 heeft de gemachtigde die volmacht toegestuurd.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
1.7.
Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft het Hofof een aanvullend stuk van de heffingsambtenaar ontvangen, hetgeen - naar het Hof begrijpt - een verzoek tot heropening van het onderzoek bevat. Het Hof heeft in het stuk van de heffingsambtenaar geen aanleiding tot heropening van het onderzoek gezien en heeft het stuk niet tot de gedingstukken gerekend.

2.Feiten

2.1.
Gelet op de ontwikkeling van de rechtsstrijd in hoger beroep stelt het Hof de volgende feiten vast.
2.2.
In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank is het volgende opgenomen:
“Eiser:
Ik heb geen uitnodiging gehad.
Rechter:
Dat ga ik controleren. (De griffier kijkt op DWD: de uitnodiging staat erop).
Moeten we de zaak doorschuiven?
Verweerder:
Wat mij betreft niet. Zie de verkoopcijfers van voor en na de waardepeildatum. De
vastgestelde waarde is niet te hoog. Weet de belanghebbende van deze procedure? Zie de
handtekening de op machtiging. Op een nieuwe zitting zal ik niet verschijnen.
Eiser:
(Zoekt op eigen computer en vindt de zaak.)
Wat betreft de machtiging wil ik een en ander navragen bij de klant. Ik zou niet weten
waarom de machtiging niet goed is.
Rechter:
Dit gaat voor uw klant niet tot een succes leiden. Wilt u de zaak nog een keer op de rol?
Eiser:
Ik wil dit overleggen met de klant. Ik heb de zaak niet voorbereid.
Rechter:
Laat u binnen veertien dagen weten of de zaak wel of niet wordt ingetrokken. Bij niet
intrekken komt de zaak weer op zitting. Verweerder zal dan niet komen, maar ik heb genoeg
informatie.
Eiser:
Ik wil dit met de klant overleggen. Ik kan er nu niets over zeggen. Indien een en ander geen
nut heeft, dan trek ik het beroep in.
Rechter:
U heeft veertien dagen. Bij het doorzetting van de zaak komt de zaak opnieuw op zitting.
Ik zal daarmee rekening houden voor een eventuele vergoeding van immateriële schade.
De rechter sluit de zitting en houdt de zaak aan.”

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep ligt de vraag voor of de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Gemachtigde van belanghebbende klaagt in hoger beroep over de omstandigheid dat hij niet is uitgenodigd voor de zitting bij de rechtbank. Hij was op de betreffende dag op de rechtbank aanwezig voor andere zaken en toen werd deze zaak uitgeroepen. Gemachtigde betoogt ter zitting van de rechtbank uitdrukkelijk te hebben aangegeven niet op deze zaak te zijn voorbereid. Hij wijst er voorts op dat in het proces-verbaal staat dat de rechter heeft gezegd dat bij een niet intrekken van de zaak binnen 14 dagen tijd, deze weer op zitting zou komen. Gemachtigde heeft na de zitting de rechtbank niet meer bericht over een al dan niet intrekken van de zaak. Zijns inziens had er daarom conform de weergave in het proces-verbaal een nieuwe zitting behoren te worden gepland. De rechter heeft evenwel uitspraak gedaan. Gemachtigde stelt - naar het Hof begrijpt - dat belanghebbende door deze gang van zaken ernstig in zijn verdediging is geschaad, en verzoekt om het terugwijzen van de zaak.
4.2.
Het Hof stelt voorop dat het proces-verbaal de enige kenbare bron is van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank. Het Hof overweegt voorts dat uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank zoals onder 2.2 weergegeven duidelijk volgt dat als de zaak door belanghebbende niet binnen 14 dagen tijd zou worden ingetrokken, er een nieuwe zitting zou worden gepland. Alhoewel uit het proces-verbaal ook volgt dat van belanghebbende een terugkoppeling werd verwacht, welke niet heeft plaatsgevonden, kan hieruit niet eenduidig worden afgeleid dat bij een uitblijven hiervan, belanghebbende ermee instemde dat de rechter zonder nadere zitting uitspraak zou doen.
4.3.
Gelet op het vorenoverwogene acht het Hof termen aanwezig gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 8:115, lid 1, onderdeel b, Awb de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Hierbij heeft het Hof het belang om zaken zoveel mogelijk finaal af te doen afgewogen tegen het belang van behoorlijk procesrecht (hoor en wederhoor). Het belang de zaak terug te wijzen zodat belanghebbende ter zitting kan worden gehoord weegt in dit geval zwaarder, omdat er ten gevolge van de beschreven gang van zaken in de beroepsfase uiteindelijk geen inhoudelijke behandeling van de zaak ter zitting heeft plaatsgevonden terwijl dat rechtbank dat wel had toegezegd, er kwesties van feitelijke aard aan de orde zijn, en omdat belanghebbende hier in hoger beroep uitdrukkelijk om verzoekt.
Slotsom
4.4.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Het Hof zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen.

5.5. Kosten

5.1.
Nu het hoger beroep van belanghebbende gegrond is, acht het Hof termen aanwezig voor een kostenveroordeling voor de behandeling van het hoger beroep (op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet). Aangezien in de procedure voor het Hof het geschil door de gemachtigde is toegespitst op de misslag van het niet-uitnodigen van belanghebbende voor een nadere (inhoudelijke) zitting en de werkzaamheden van de gemachtigde beperkt hadden kunnen blijven tot het verzoeken om die door de rechtbank toegezegde zitting, acht het Hof voor dit geschil wegingsfactor 0,25 (zeer licht) passend.
5.2.
De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op 1 (hoger beroepschrift) x € 934 x 0,25 (wegingsfactor) = € 234. Het Hof neemt met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit geen proceshandeling voor het bijwonen van de zitting in aanmerking omdat het geschilpunt zich leende voor een afdoening zonder mondelinge behandeling, en belanghebbende zonder goede reden tot op de zitting heeft gewacht om dit punt naar voren te brengen. Aangezien de uitspraak van de rechtbank is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze procedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskosten-vergoedingen WOZ en bpm (zie artikel IV van die wet). Belanghebbende heeft zich ter zitting bij het Hof akkoord verklaard met de toepassing van vermenigvuldigingsfactor 0,1 (art. 30a, lid 2, Wet WOZ). Het bedrag van de vergoeding is (afgerond) € 24.
5.3.
De wet biedt niet de mogelijkheid een andere instantie dan het betrokken bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten, ook niet indien – zoals zich hier voordoet – de kosten zijn opgeroepen door een handelen van de rechtbank. Het Hof zal wel gebruik maken van de mogelijkheid op de voet van artikel 8:114, lid 1, Awb te bepalen dat het voor het instellen van hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier wordt terugbetaald.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een hernieuwde behandeling in beroep;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten voor de behandeling van het hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 24;
  • gelast de griffier aan belanghebbende het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 138 te vergoeden, en
  • draagt de griffier op na het onherroepelijk worden van deze uitspraak het gehele dossier met afschrift van deze uitspraak te zenden aan de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, H.E. Kostense en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier.
De beslissing is op 24 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: