Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1268

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
200.343.311/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis wegens onvoldoende causaal verband bij gebrekkig werk aannemer

Appellanten sloten een aannemingsovereenkomst met geïntimeerde 1 voor de verbouwing van hun woning, waarbij geïntimeerde 1 onderaannemer geïntimeerde 2 inschakelde voor specifieke werkzaamheden. Na oplevering ontstonden problemen met de vloerverwarming en rioollucht, waarop appellanten gebreken stelden en geïntimeerde 1 aansprakelijk hielden.

De rechtbank wees de vorderingen af wegens onvoldoende bewijs van een toerekenbare tekortkoming en causaal verband. In hoger beroep handhaafden appellanten hun standpunt, maar het hof oordeelde dat het causaal verband niet was aangetoond. De rapporten en verklaringen boden onvoldoende steun, en het probleem met de vloerverwarming kon ook al vóór de verbouwing hebben bestaan.

Ook de stelling dat het gebruik van 40 mm leidingen in plaats van 75 mm een tekortkoming vormde, werd verworpen. Het hof vond dat dit gebruik gebruikelijk en deugdelijk kan zijn en dat appellanten onvoldoende feitelijk bewijs leverden dat dit de oorzaak was van de problemen.

De vrijwaringszaak tussen geïntimeerde 1 en 2 werd niet inhoudelijk behandeld omdat de hoofdzaak niet tot toewijzing leidde. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellanten en geïntimeerde 1 in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellanten af wegens onvoldoende causaal verband en toerekenbare tekortkoming.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummers : 200.343.311/01(hoofdzaak) en 200.352.272/01 (vrijwaring)
zaak-/rolnummers rechtbank Noord-Holland : C/15/333777 HA ZA 22-685 (hoofdzaak) en C/15/337347 / HA ZA 23-130 (vrijwaring)
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 april 2026
in de
hoofdzaakvan

1.[appellant 1] ,

2.
[appellant 2] ,
beiden wonend in [plaats 1] , gemeente Koggenland,
appellanten,
advocaat: mr. E. Zondervan te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde 1] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. H.G.M. Wagemaker te Alkmaar,
en in de
vrijwaringszaakvan
[geïntimeerde 1] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
appellante,
advocaat: mr. H.G.M. Wagemaker te Alkmaar,
tegen
[geïntimeerde 2] ,gevestigd te [plaats 2] , gemeente [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. F.M. Wagener te Alkmaar.
Partijen worden hierna [appellanten] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.

1.De zaken in het kort

[appellanten] hebben met [geïntimeerde 1] een aannemingsovereenkomst gesloten voor de verbouwing van de door hen aangekochte woning. In de hoofdzaak ligt de vraag voor of [geïntimeerde 1] tekort is geschoten in haar verplichtingen uit die overeenkomst door gebrekkig werk te leveren. Omdat een deel van de werkzaamheden door onderaannemer [geïntimeerde 2] is uitgevoerd, heeft [geïntimeerde 1] [geïntimeerde 2] in vrijwaring opgeroepen. Voor het geval [geïntimeerde 1] in de hoofdzaak wordt veroordeeld, heeft [geïntimeerde 1] in de vrijwaringszaak gevorderd dat [geïntimeerde 2] wordt veroordeeld tot datgene waartoe zij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld. Het hof oordeelt in de hoofdzaak dat voor de vaststelling van het voor een toerekenbare tekortkoming vereiste causaal verband onvoldoende is aangevoerd en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
Aan behandeling van de vrijwaringszaak wordt daarom niet toegekomen.

2.Het verloop van de gedingen in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 3 juli 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 17 april 2024 van de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Alkmaar), onder het hiervoor genoemde zaak- en rolnummer in de
hoofdzaakgewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde 1] als gedaagde.
[geïntimeerde 1] is bij dagvaarding van 10 maart 2025 in hoger beroep gekomen van datzelfde vonnis, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer in de
vrijwaringszaakgewezen tussen [geïntimeerde 1] als eiseres in conventie tevens verweerster in voorwaardelijke reconventie en [geïntimeerde 2] als gedaagde in conventie tevens eiseres in voorwaardelijke reconventie.
Bij tussenarrest van 8 oktober 2024 is in de hoofdzaak een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, maar deze heeft niet plaatsgevonden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
hoofdzaak:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met een productie;
vrijwaringszaak:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord.
Op 19 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in zowel de hoofdzaak als de vrijwaringszaak. De hiervoor genoemde advocaten hebben de zaak toegelicht, mrs. Zondervan en Wagemaker aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Ook partijen hebben een toelichting gegeven en vragen beantwoord. [appellanten] hebben tijdens de zitting nog aanvullende producties (35 t/m 38) in het geding gebracht, die aan het procesdossier zijn toegevoegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.17 de feiten vastgesteld die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve - enigszins aangepast en aangevuld met onomstreden feiten - ook het hof tot uitgangspunt. Het gaat om de volgende feiten.
3.1.
[appellanten] hebben op 8 september 2020 een aannemingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) met [geïntimeerde 1] gesloten voor de verbouwing van de op 28 september 2020 door hen in eigendom verkregen woning.
3.2.
De afgesproken werkzaamheden bestonden uit het aanbrengen van kunststof kozijnen, het realiseren van een aanbouw (voor een nieuw te plaatsen keuken), het verbouwen van de garage tot slaapkamer, het ombouwen van de (oude) keuken tot badkamer (alle leidingen en montage van sanitair), het aanleggen van vloerverwarming in de aanbouw en slaapkamer, het installeren van een nieuwe cv-ketel en het nazien van bestaand leidingwerk. De aanneemsom bedroeg € 109.807,58 inclusief btw.
3.3.
[geïntimeerde 1] heeft voor de werkzaamheden met betrekking tot de cv-installatie, de ruwbouw van de badkamer en de keuken en het aanleggen van de vloerverwarming [geïntimeerde 2] als onderaannemer ingeschakeld. Onder de ruwbouw valt ook het monteren en verplaatsen van alle noodzakelijke leidingen en afvoeren.
3.4.
Rond 28 september 2020 zijn [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gestart met de uitvoering van de werkzaamheden. [geïntimeerde 2] heeft onder meer een nieuwe vloerverwarming aangelegd in de slaapkamer en aanbouw (voorheen de garage en tuin). In de woonkamer was al vloerverwarming aanwezig.
3.5.
Op 6 januari 2021 hebben [appellanten] bij [geïntimeerde 1] gemeld dat de cv-ketel, ondanks meerdere keren bijvullen, steeds storingen gaf (wegens capaciteitsverlies) en dat er een vermoeden van een lekkage was. Een deel van de vloerverwarming werkte niet.
3.6.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben vervolgens gezamenlijk naar een lekkage en een mogelijke oorzaak daarvan gezocht. Nadat in mei 2021 door middel van een lekdetectie een leklocatie was aangewezen in de badkamer, heeft [geïntimeerde 1] de tussen de badkamer en de woonkamer nieuw gerealiseerde muur weggehaald. Toen bleek dat daar geen lekkage was ontstaan, heeft [geïntimeerde 1] de muur weer opgebouwd en afgewerkt.
3.7.
[appellanten] hebben ook geconstateerd dat de afvoer in de badkamer verstopt was, dat het op meerdere plaatsen naar riool rook en dat de wc’s en leidingen borrelden. Zij hebben de leidingen laten reinigen en - na overleg met de gemeente - een put in de voortuin aangelegd. De verstopping was daarmee opgelost. Dit ging buiten [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] om.
3.8.
Bij brief van 30 april 2021 hebben [appellanten] [geïntimeerde 1] in gebreke gesteld. Volgens [appellanten] vertoonde het werk de volgende drie gebreken: (i) capaciteitsverlies verwarming door lekkende vloerverwarmingsbuis, (ii) vieze lucht in de keukenkastjes en de vaatwasser, en (iii) geborrel in leidingen en vacuümtrekken van de wc’s na doortrekken, waardoor een vieze lucht in de nieuwe badkamer ontstond. [geïntimeerde 1] is gesommeerd deze gebreken binnen veertien dagen kosteloos te herstellen.
3.9.
[geïntimeerde 1] heeft de aansprakelijkheid bij brief van 14 juni 2021 betwist.
3.10.
In opdracht van [appellanten] heeft ir. [naam 1] van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) op 30 september 2021 een onderzoek uitgevoerd naar de door [appellanten] genoemde gebreken. Daarvan is op 28 oktober 2021 een rapport uitgebracht.
3.11.
Bij brief van 7 januari 2022 hebben [appellanten] dit rapport aan [geïntimeerde 1] toegezonden, [geïntimeerde 1] nogmaals tot herstel gesommeerd en meegedeeld dat, indien [geïntimeerde 1] niet tot herstel zou overgaan, [appellanten] de gebreken op kosten van [geïntimeerde 1] door een derde zou laten herstellen.
3.12.
[geïntimeerde 1] is niet tot herstel overgegaan.
3.13.
Op 4 mei 2022 heeft [bedrijf 1] op verzoek van [appellanten] een tweede onderzoek op locatie uitgevoerd. Dit onderzoek richtte zich vooral op de wijze waarop herstel kon plaatsvinden en de kosten daarvan. Van haar bevindingen heeft [bedrijf 1] op 13 juli 2022 een rapport opgemaakt.
3.14.
Bij brief van 13 juli 2022 hebben [appellanten] dit tweede rapport aan [geïntimeerde 1] toegezonden en [geïntimeerde 1] nogmaals gesommeerd tot herstel over te gaan. [geïntimeerde 1] heeft hieraan geen gehoor gegeven.
3.15.
[geïntimeerde 1] heeft de aansprakelijkstelling doorgezet naar [geïntimeerde 2] . [geïntimeerde 2] heeft op haar beurt ook iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.
3.16.
In april 2025 heeft AJ Riooltechniek in opdracht van [appellanten] een toegang gegraven tot een tweede deel van de kruipruimte, dat voorheen ontoegankelijk was. Daarmee werd zichtbaar dat er een gat in een bestaande afvoerleiding zat en dat er vervuild rioolwater in dat deel van de kruipruimte terecht was gekomen. AJ Riooltechniek heeft de vervuilde grond hersteld, de kruipruimte gereinigd, de leiding hersteld en de afvoer van de keuken met een leiding van 75 millimeter op de bestaande afvoerleiding aangesloten.
3.17.
Nadien hebben [appellanten] geen last meer gehad van borrelende leidingen, het vacuüm trekken van de wc en de rioollucht.

4.Procedures bij de rechtbank

4.1.
Samengevat hebben [appellanten] in de
hoofdzaakgevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde 1] te veroordelen om aan [appellanten]
€ 51.987,27 aan vervangende schadevergoeding en € 3.752,21 aan onderzoekskosten te voldoen, vermeerderd met kosten en rente.
4.2.
[appellanten] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door gebrekkig werk te leveren en dat zij daarom schadeplichtig is.
4.3.
Voor zover in hoger beroep nog van belang, heeft [geïntimeerde 1] in de
vrijwaringszaakin conventie gevorderd dat de rechtbank [geïntimeerde 2] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling aan haar van datgene waartoe [geïntimeerde 1] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met kosten.
4.4.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] in de
hoofdzaakafgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat de mankementen in de woning zijn veroorzaakt door een gebrekkige uitvoering van het werk door [geïntimeerde 1] . [appellanten] hadden daartoe onvoldoende gesteld. Omdat hiermee ook de grondslag aan de vordering van [geïntimeerde 1] in
vrijwaringkwam te ontvallen, is die eveneens afgewezen. [appellanten] zijn in de proceskosten in de hoofdzaak veroordeeld en [geïntimeerde 1] in die van de vrijwaringszaak in conventie.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1.
[appellanten] vorderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog hun vorderingen in de
hoofdzaakzal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in beide instanties.
5.2.
[geïntimeerde 1] concludeert dat het hof het bestreden vonnis in de hoofdzaak zal bekrachtigen.
5.3.
Voor zover de vorderingen van [appellanten] in de hoofdzaak (gedeeltelijk) worden toegewezen, vordert [geïntimeerde 1] in de
vrijwaringszaakvernietiging van het bestreden vonnis en
- uitvoerbaar bij voorraad - alsnog toewijzing van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde 2] in de kosten van het geding in beide instanties.
5.4.
[geïntimeerde 2] concludeert in de vrijwaringszaak dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de kosten van het hoger beroep, met rente.

6.Beoordeling

6.1.
De grieven van [appellanten] in de
hoofdzaak, die door [geïntimeerde 1] zijn bestreden, lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Daarmee komen [appellanten] - kort gezegd - op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij de door haar gestelde tekortkomingen van [geïntimeerde 1] onvoldoende hebben toegelicht.
6.2.
Tijdens de zitting in hoger beroep is aan de orde geweest dat het capaciteitsverlies van de vloerverwarming zich onverminderd voordoet, maar dat het probleem van de borrelende leidingen en de rioollucht inmiddels blijvend is opgelost door AJ Riooltechniek. [appellanten] handhaven hun standpunt dat beide problemen zijn terug te voeren op gebrekkig werk van [geïntimeerde 1] en dat [geïntimeerde 1] daarvoor aansprakelijk is.
Capaciteitsverlies vloerverwarming
6.3.
Vast staat dat het capaciteitsverlies de bestaande vloerverwarming in de woonkamer betreft. Op de thermische foto die onderdeel is van productie 23 bij de Memorie van Grieven is goed te zien welk deel van de woonkamer koud blijft. Tussen partijen is in geschil of [geïntimeerde 1] dit probleem heeft veroorzaakt door gebrekkig werk te leveren. Het verwijt dat [appellanten] [geïntimeerde 1] maken is tweeërlei; zij stellen dat (i) [geïntimeerde 1] tekort is geschoten door in weerwil van de gemaakte afspraken het bestaande leidingwerk niet af te persen en (ii) [geïntimeerde 1] een lekkage heeft veroorzaakt in een van de bestaande leidingen van de vloerverwarming.
6.4.
Het hof is van oordeel dat ook in hoger beroep niet is komen vast te staan dat er causaal verband bestaat tussen de uitvoering van de werkzaamheden door [geïntimeerde 1] en de lekkage als oorzaak van de schade van [appellanten] Daartoe is het volgende redengevend.
Ad i) niet afpersen bestaande leidingen
6.5.
Nog daargelaten dat [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat het vanwege de beperkte kruipruimte niet mogelijk was de bestaande leidingen te controleren en af te persen en zij dus niet tekort is geschoten, slaagt het verweer van [geïntimeerde 1] dat causaliteit ontbreekt. Een lekkage wordt niet veroorzaakt door het niet afpersen van leidingen en, anders dan [appellanten] stellen, kan uit de enkele omstandigheid dat dit niet gebeurd is ook niet worden afgeleid dat er geen bestaande lekkages waren. Dit volgt evenmin uit de in hoger beroep door [appellanten] overgelegde stukken. De verklaring van de vorige eigenaren legt te weinig gewicht in de schaal, al was het maar omdat zij een evident belang hebben bij de vaststelling dat het probleem bij de overdracht van de woning nog niet bestond. Om diezelfde reden kan aan de door hen ingevulde NVM-vragenlijst minder waarde worden toegekend. Ook het bouwkundig rapport acht het hof weinig overtuigend. Zoals door [geïntimeerde 1] is aangevoerd, betreft dit slechts een momentopname en een visuele inspectie, er heeft geen destructief onderzoek plaatsgevonden. Bovendien blijkt uit het rapport dat de elektrische installatie, het riool en het leidingwerk maar gedeeltelijk zichtbaar waren. Een deel daarvan is dus in het geheel niet door de deskundige bekeken, terwijl geadviseerd is daar nader onderzoek naar te verrichten. Op basis van de stukken valt naar het oordeel van het hof dan ook bepaald niet uit te sluiten dat het probleem van de vloerverwarming bij de overdracht van de woning al bestond.
Ad ii) lekkage veroorzaakt door [geïntimeerde 1]
6.6.
Ter onderbouwing van hun stelling dat [geïntimeerde 1] een lekkage in een van de leidingen van de vloerverwarming heeft veroorzaakt, beroepen [appellanten] zich op twee in eerste aanleg overgelegde rapporten van [bedrijf 1] en het lekdetectierapport van [bedrijf 2] hierna: [bedrijf 2] ). Zoals de rechtbank uitvoerig heeft overwogen, valt in die rapporten onvoldoende steun te vinden voor de stelling van [appellanten] Wel staat daarin dat er een verhoogd vochtpercentage is gemeten bij een door [geïntimeerde 1] gebouwd muurtje in de badkamer en dat het vocht van daaruit ook in de nieuwe muur tussen de badkamer en de woonkamer trok. Laatstbedoelde muur is evenwel op kosten van [geïntimeerde 1] afgebroken en vervolgens opnieuw opgebouwd en afgewerkt, toen partijen samen op zoek gingen naar een oorzaak. Nu tussen partijen niet in discussie is dat op die plek geen door [geïntimeerde 1] beschadigde leiding is aangetroffen, vast staat dat [geïntimeerde 1] geen werkzaamheden heeft verricht aan de leidingen van de vloerverwarming zelf en [appellanten] niet hebben toegelicht dat er aanleiding voor [geïntimeerde 1] bestond om verder te zoeken naar de oorzaak, hebben [appellanten] onvoldoende feitelijk onderbouwd dat de lekkage door [geïntimeerde 1] is veroorzaakt. Daarmee kan in het midden blijven of, waar en hoe diep er bij het uitvoeren van de werkzaamheden is gehakt, gefreesd of geboord. Als er een leiding zou zijn geraakt, zou dit zichtbaar zijn geweest toen het werk open lag.
Borrelende leidingen en rioollucht
6.7.
[appellanten] stellen zich op het standpunt dat het gebruik van leidingen van 40 in plaats van 75 millimeter een toerekenbare tekortkoming oplevert en dat [geïntimeerde 1] haar zorgplicht heeft geschonden door hen niet te waarschuwen voor de bestaande te kleine leidingen. [geïntimeerde 1] had volgens [appellanten] alternatieven met hen moeten bespreken.
6.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat was afgesproken dat de afvoeren van de keuken op de bestaande afvoer (riolering) van de woning zouden worden aangesloten, dat pas tijdens de werkzaamheden is gebleken en kon blijken dat de bestaande leidingen 40 millimeter waren en dat daar geen leidingen van 75 millimeter op geplaatst kunnen worden. [geïntimeerde 1] heeft toegelicht dat het de voorkeur verdient 75 millimeter leidingen te gebruiken, maar dat het niettemin gebruikelijk en deugdelijk is om met 40 millimeter leidingen te werken. Verder heeft [geïntimeerde 1] gemotiveerd betwist dat uit de door [appellanten] overgelegde stukken, waaronder het handboek van [naam 2] en de Uneto-richtlijn, volgt dat bij een keukenafvoer nooit gebruik kan worden gemaakt van een leiding met een diameter van 40 millimeter. Dit hang volgens [geïntimeerde 1] af van meerdere factoren. Nu [appellanten] daar niets tegenover gesteld hebben maar hun kale stelling dat dit niet kan slechts hebben herhaald, kan niet worden vastgesteld dat [geïntimeerde 1] toerekenbaar tekort is geschoten door leidingen van 40 millimeter te gebruiken.
6.9.
Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] ook onvoldoende feitelijk onderbouwd dat dit de oorzaak van de door hen ervaren (en door [geïntimeerde 1] betwiste) problemen is. [appellanten] beroepen zich op een rapport van AJ Riooltechniek, waarin de resultaten van een door haar uitgevoerde rooktest zijn beschreven, maar daarin staat niet meer dan dat het vacuüm trekken van het riool bij een gecombineerde afvoer van de keuken en de badkamer veroorzaakt kán worden door een te kleine diameter buis en niet dat dit daadwerkelijk zo is. Ook uit het aanvullend door [appellanten] in hoger beroep overgelegde rapport rioolwerkzaamheden van AJ Riooltechniek volgt dit niet. Feit is dat er inmiddels 75 millimeter leidingen geplaatst zijn en dat de problemen blijvend zijn verholpen, maar AJ Riooltechniek wijst in haar rapport juist een doorboorde leiding als oorzaak aan, waarbij is opgemerkt dat de aannemer of onderaannemer dit vermoedelijk heeft gedaan. Omdat [appellanten] tijdens de zitting echter uitdrukkelijk hebben verklaard dit niet als standpunt in te nemen, is nog steeds niet duidelijk wat dan wel de oorzaak van de problemen was.
6.10.
Op het voorgaande stuit ook de stelling van [appellanten] af dat [geïntimeerde 1] haar zorgplicht zou hebben geschonden door niet te waarschuwen voor te kleine leidingen. Daar komt bij dat [geïntimeerde 1] gemotiveerd heeft betoogd dat zij [appellanten] meteen bij aanvang van de opdracht heeft gewaarschuwd dat zij het bestaande leidingwerk niet kon controleren en ook dat zij de gekozen aansluiting heeft besproken toen de afgesproken aansluiting direct op de riolering niet mogelijk bleek. Daarbij is volgens [geïntimeerde 1] ook de mogelijkheid besproken om een nieuwe riolering buiten de woning om aan te leggen, maar daarvoor hebben [appellanten] vanwege de kosten niet gekozen. [appellanten] hebben dit onvoldoende weersproken.
Conclusie
6.11.
De slotsom luidt dat de grieven van [appellanten] in de
hoofdzaakfalen. [appellanten] hebben geen bewijs aangeboden van hun stellingen, zodat er geen plaats is voor (nadere) bewijsvoering. Dit betekent tevens dat aan de bespreking van het hoger beroep in de
vrijwaringszaakniet wordt toegekomen, omdat niet aan de voorwaarde is voldaan waaronder dat is ingesteld. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
6.12.
[appellanten] zullen (ambtshalve) als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep in de hoofdzaak. In het hoger beroep in de vrijwaringszaak zal [geïntimeerde 1] in de kosten worden veroordeeld. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:
hoofdzaak
- griffierecht € 2.175,-
- salaris advocaat € 4.704,- (tarief IV, 2 punten)
Totaal € 6.879,-
vrijwaringszaak- griffierecht € 827,-
- salaris advocaat € 4.704,- (tarief IV, 2 punten)
Totaal € 5.531,-
6.13.
Nu noch [geïntimeerde 1] noch [geïntimeerde 2] dit heeft gevorderd, zullen de proceskostenveroordelingen niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

7.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep in de
hoofdzaak, tot nu vastgesteld op € 6.879,-;
veroordeelt [geïntimeerde 1] in de proceskosten in hoger beroep in de
vrijwaringszaak, tot nu vastgesteld op € 5.531,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, als [geïntimeerde 1] niet binnen veertien dagen aan die veroordeling voldoet.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, J.C. Toorman en F.J. van de Poel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.