Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1130

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
23-002711-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 300 SrArt. 304 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens jarenlange fysieke mishandeling van dochters door vader

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het jarenlang mishandelen van zijn twee dochters, zowel fysiek als psychisch. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en kwam tot een andere bewezenverklaring, waarbij het een deel van de tenlastegelegde gedragingen niet bewezen achtte, met name die zonder betekenisvol fysiek aspect of gevolg.

De bewezenverklaring betreft meermalen slaan met de hand en diverse voorwerpen, waardoor de dochters pijn en letsel hebben opgelopen. Psychische mishandeling zonder fysiek aspect werd niet als strafbaar aangemerkt. Het hof baseerde zich op verklaringen van de slachtoffers, getuigen en de verdachte zelf, alsmede op schoolrapportages die blauwe plekken bevestigden.

De verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met aftrek van voorarrest. Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, de langdurige mishandeling binnen de huiselijke sfeer, de impact op de slachtoffers en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn ernstige ziekte.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan beide dochters voor materiële en immateriële schade, gebaseerd op medische diagnoses van depressie en PTSS, en met toepassing van de Rotterdamse Schaal. De verdachte werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoedingen met wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf voor langdurige fysieke mishandeling van zijn dochters met toewijzing van schadevergoedingen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002711-22
datum uitspraak: 22 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 oktober 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-200590-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1977,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2024 en 8 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De rechtbank heeft geoordeeld dat vaststaat dat het Openbaar Ministerie ter zake van het verwijt met pleegdatum 14 juli 2013 op 11 maart 2014 heeft besloten tot een voorwaardelijk sepot met als einddatum van de proeftijd 13 maart 2015. Dit sepot is definitief geworden. De rechtbank heeft het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van het tenlastegelegde voor zover dat betrekking heeft op 14 juli 2013. Het gaat daarbij om de volgende tenlastegelegde feitelijkheden:
Onder feit 1:
- met een lat te slaan;
- meermalen (langdurig) op haar knieën te laten zitten en/of haar hierbij te beletten op te staan;
- te beletten contact te hebben met haar zusjes, in elk geval familie, in elk geval de zusjes/familie van die [benadeelde partij 2] te beletten met haar contact op te nemen gezien dat [benadeelde partij 2] – net zoals [benadeelde partij ] – de familie zou hebben verraden;
- de haren heel kort af te knippen als straf.
In hoger beroep hebben de advocaat-generaal en de raadsman geen bezwaren geuit ten aanzien van dit deel van het vonnis. Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van bovenstaande gedachtestreepjes.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep na voornoemde niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie nog ter beoordeling, tenlastegelegd dat:
Feit 1.
hij op één of meer tijdstippen in de periode van 7 oktober 2009 tot en met 24 december 2014 te Alkmaar , in elk geval in Nederland, en/of in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2018 te Zaandam , in elk geval in Nederland, zijn kind, [benadeelde partij ] (geboortedatum [geboortedatum] ) heeft (fysiek) mishandeld door die [benadeelde partij ] :
- meermalen op haar billen te slaan en/of
- meermalen in haar gezicht en/of op haar hoofd en/of op haar lichaam te stompen en/of te slaan en/of
- meermalen met diverse voorwerpen, waaronder een riem en/of stroomkabels en/of computersnoeren en/of een dweilstok op haar billen en/of rug en/of armen en/of benen en/of gezicht en/of op haar hoofd, in elk geval haar lichaam te slaan, waarbij die [benadeelde partij ] meerdere keren was vastgebonden en/of vastgetaped en/of geboeid en/of
- meermalen gemalen en/of gepureerde peper en/of gember tussen haar schaamlippen en/of op haar open wonden te smeren en/of hierbij die [benadeelde partij ] voor langere tijd te beletten deze gemalen en/of gepureerde peper en/of af te wassen en/of weg te halen en/of
waardoor zij pijn en/of letsel heeft bekomen
en/of (psychisch)
- urine over haar lichaam te gooien en/of hierbij die [benadeelde partij ] voor langere tijd te beletten zich af te spoelen met water en/of schoon te maken en/of
- te controleren op haar maagdelijkheid, in elk geval haar geslachtsdelen te bekijken en/of de overige zussen en/of familieleden te vragen de maagdelijkheid te controleren, terwijl verdachte hierbij toekeek en/of aanwezig was en/of
- te controleren op haar dagelijkse bewegingen door onder andere naar de school van die [benadeelde partij ] toe te gaan en/of daar te gaan kijken wat die [benadeelde partij ] aan het doen was en/of een audiorecorder, in elk geval een opnameapparaat, mee te geven om alle geluiden van de dag op te nemen en/of te verplichten een open telefoonverbinding te houden, waardoor verdachte mee kon luisteren naar alle bezigheden die die [benadeelde partij ] op een dag had en/of
- in de gaten te houden en/of haar bewegingen te controleren door in de woning van verdachte en/of die [benadeelde partij ] overal camera's op te hangen, al dan niet werkend, en/of audioapparatuur te plaatsen, al dan niet werkend, en/of hierbij andere gezinsleden de opdracht te geven haar in de gaten te houden en/of niet alleen te laten en/of tot zelfs in de badkamer en/of toilet aan toe in de gaten te houden en/of iemand mee te sturen en hierbij (het gevoel van) privacy van die [benadeelde partij ] enorm te beperken en/of
- ( naakt) op de foto te zetten en/of vervolgens te dreigen die foto's naar klasgenoten, in elk geval de school, van die [benadeelde partij ] te sturen, wanneer die [benadeelde partij ] verdachte niet zou gehoorzamen en/of
- voortdurend te kleineren en/of uit te schelden,
waardoor opzettelijke benadeling van de gezondheid voor die [benadeelde partij ] is ontstaan.
Feit 2.
hij één of meer tijdstippen in de periode van 7 oktober 2009 tot en met 31 december 2019 te Alkmaar en/of Zaandam , in elk geval in Nederland, zijn kind, [benadeelde partij 2] (geboortedatum [geboortedatum 2] ) heeft (fysiek) mishandeld door die [benadeelde partij 2] :
- meermalen in haar gezicht en/of op haar hoofd en/of op haar lichaam te stompen en/of te slaan en/of
- meermalen haar keel en/of hals dicht te knijpen en/of in haar wangen te knijpen en/of
- meermalen met diverse voorwerpen, waaronder (de gesp van) een riem en/of een snoer en/of een lat en/of met spijkers in een lat geslagen op haar billen en/of benen en/of rug en/of haar lichaam te slaan en/of
- meermalen gemalen en/of gepureerde peper en/of gember in haar geslachtsdeel en/of anus te stoppen en/of op haar geslachtsdeel en/of schaamlippen en/of anus te smeren én/of (vervolgens) te beletten dat die [benadeelde partij 2] (voor langere tijd) deze gemalen én/of gepureerde peper en/of gember weg kan halen en/of
- meermalen in haar borsten te knijpen en/of in haar tepels te knijpen en/of (vervolgens deze) om te draaien en/of
- met een schroevendraaier in haar hand te steken, waardoor zij pijn en/of letsel heeft bekomen en/of
en/of (psychisch)
- meerdere keren dagenlang achter elkaar te beletten te eten en/of er zorg voor dragen dat die [benadeelde partij 2] geen of weinig eten kreeg en/of
- te controleren op haar maagdelijkheid, in elk geval haar geslachtsdelen te bekijken en/of de
overige zussen en/of familieleden te vragen de maagdelijkheid te controleren, terwijl verdachte hierbij toekeek en/of aanwezig was en/of
- te controleren op haar dagelijkse bewegingen door onder andere naar de school van die [benadeelde partij 2] toe te gaan en/of daar te gaan kijken wat die [benadeelde partij 2] aan het doen was en/of een audiorecorder, in elk geval een opnameapparaat, mee te geven om alle geluiden van de dag op te nemen en/of te verplichten een open telefoonverbinding te houden, waardoor verdachte mee kon luisteren naar alle bezigheden die die [benadeelde partij 2] op een dag had en/of
- in de gaten te houden en/of haar bewegingen te controleren door in de woning van verdachte en/of die [benadeelde partij 2] overal camera’s op te hangen, al dan niet werkend, en/of audioapparatuur te plaatsen, al dan niet werkend, en/of hierbij andere gezinsleden de opdracht te geven haar in de gaten te houden en/of niet alleen te laten en/of tot zelfs in de badkamer en/of toilet aan toe in de gaten te houden en/of iemand mee te sturen en hierbij (het gevoel van) privacy van die [benadeelde partij 2] enorm te beperken en/of
- ( naakt) op de foto te zetten en/of vervolgens te dreigen die foto's naar klasgenoten, in elk geval de school, van die [benadeelde partij 2] te sturen, wanneer die [benadeelde partij 2] verdachte niet zou gehoorzamen en/of
- te beletten contact te hebben met haar zusjes, in elk geval familie, in elk geval de zusjes/familie van die [benadeelde partij 2] te beletten met haar contact op te nemen, gezien dat [benadeelde partij 2] - net zoals [benadeelde partij ] - de familie zou hebben verraden en/of
- voortdurend te kleineren en/of uit te schelden,
waardoor opzettelijke benadeling van de gezondheid voor die [benadeelde partij 2] is ontstaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters betrouwbaar zijn en dat veel onderdelen van de verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen. De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat ook de gedragingen in de hierna volgende gedachtestreepjes, waarvan de verdachte door de rechtbank is vrijgesproken, bewezenverklaard kunnen worden:
Feit 1:
- meermalen gemalen en/of gepureerde peper en/of gember tussen haar schaamlippen en/of op haar open wonden te smeren en/of hierbij die [benadeelde partij ] voor langere tijd te beletten deze gemalen en/of gepureerde peper en/of af te wassen en/of weg te halen en/of
- ( naakt) op de foto te zetten en/of vervolgens te dreigen die foto's naar klasgenoten, in elk geval de school, van die [benadeelde partij ] te sturen, wanneer die [benadeelde partij ] verdachte niet zou gehoorzamen.
Feit 2:
- meermalen gemalen en/of gepureerde peper en/of gember in haar geslachtsdeel en/of anus te stoppen en/of op haar geslachtsdeel en/of schaamlippen en/of anus te smeren en/of (vervolgens) te beletten dat die [benadeelde partij 2] (voor langere tijd) deze gemalen en/of gepureerde peper en/of gember weg kan halen en/of
- ( naakt) op de foto te zetten en/of vervolgens te dreigen die foto's naar klasgenoten, in elk geval de school, van die [benadeelde partij 2] te sturen, wanneer die [benadeelde partij 2] verdachte niet zou gehoorzamen.
Standpunt raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters onbetrouwbaar zijn, omdat het verklaringen zijn die zijn afgelegd lange tijd na de ten laste gelegde feiten, de aangeefsters ten tijde van het ten laste gelegde nog heel jong waren en zij bovendien met elkaar en met hulpverleners over de ten laste gelegde feiten hebben gepraat, waarbij sprake kan zijn geweest van wederzijdse beïnvloeding. Ook heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verklaringen van de aangeefsters op belangrijke onderdelen niet kloppen of onvoldoende steun vinden in het dossier. Er bestaat volgens de raadsman op basis van het dossier al met al te veel twijfel om te kunnen komen tot een bewezenverklaring.
Oordeel van het hof
Juridisch kader
Onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede – onder omstandigheden – het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677). In deze zaak is de tenlastelegging onder feit 1 en feit 2 steeds zo opgebouwd, dat een deel van de gedragingen is aangemerkt als fysieke mishandeling: het toebrengen van pijn en/of letsel, en een deel van de gedragingen als psychische mishandeling in de vorm van het opzettelijk benadelen van de gezondheid.
Met betrekking tot het opzettelijk benadelen van de gezondheid en psychische mishandeling stelt het hof het volgende voorop.
Naar geldend recht moeten de bestanddelen ‘mishandeling’ en ‘opzettelijke benadeling van de gezondheid’ zo worden uitgelegd, dat psychische mishandeling alleen strafbaar kan zijn als sprake is van gedragingen met enig betekenisvol fysiek aspect of gevolg. Voorbeelden in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn het in een (tijdelijke) staat van bewusteloosheid of onmacht brengen (ECLI:NL:HR:2012:BX5468) en het verergeren van iemands ziektebeeld door verkeerd medisch handelingen (ECLI:NL:HR:2013:BY4858). Het gaat hier om gevallen waarin het handelen van de verdachte een lichamelijke uitwerking op het slachtoffer had. Het binnen de reikwijdte van artikel 300 Sr Pro brengen van psychische mishandeling zónder fysiek aspect of gevolg is onwenselijk – met name in het licht van het zogenoemde bepaaldheidsgebod – omdat de betekenis van de termen mishandeling en opzettelijke benadeling van de gezondheid daarmee minder scherp zou worden omlijnd dan zij nu op grond van de wetsgeschiedenis lijken te moeten worden. Daarmee zou ook de rechtszekerheid in het geding kunnen komen: het is voor de burger dan niet goed te voorzien welk gedrag onder de strafbaarstelling van mishandeling kan worden geschaard (vgl. de conclusie van A-G Van Kempen van 10 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:238).
Het hof zal aan de hand van dit juridisch kader beoordelen of de tenlastegelegde gedachtestreepjes – waarvan een gedeelte als gezegd is aangemerkt als psychisch geweld – kunnen worden aangemerkt als mishandeling en dus kunnen worden bewezenverklaard. Het hof zal, met het oog op de overzichtelijkheid, de onder feit 1 en 2 tenlastegelegde gedachtestreepjes onderverdelen in de navolgende vier categorieën.
Categorie A: onvoldoende wettig en overtuigend bewijs
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen van de volgende tenlastegelegde gedachtestreepjes:
Ten aanzien van feit 1:
- meermalen gemalen en/of gepureerde peper en/of gember tussen haar schaamlippen en/of op haar open wonden te smeren en/of hierbij die [benadeelde partij ] voor langere tijd te beletten deze gemalen en/of gepureerde peper en/of af te wassen en/of weg te halen en/of
- urine over haar lichaam te gooien en/of hierbij die [benadeelde partij ] voor langere tijd te beletten zich af te spoelen met water en/of schoon te maken en/of
- ( naakt) op de foto te zetten en/of vervolgens te dreigen die foto’s naar klasgenoten, in elk geval de school, van die [benadeelde partij ] te sturen, wanneer die [benadeelde partij ] de verdachte niet zou gehoorzamen en/of
- voortdurend te kleineren en/of uit te schelden.
Ten aanzien van feit 2:
- meermalen haar keel en/of hals dicht te knijpen en/of in haar wangen te knijpen en/of
- meermalen gemalen en/of gepureerde peper en/of gember in haar geslachtsdeel en/of anus te stoppen en/of op haar geslachtsdeel en/of schaamlippen en/of anus te smeren en/of (vervolgens) te beletten dat die [benadeelde partij 2] (voor langere tijd) deze gemalen en/of gepureerde peper en/of gember weg kan halen en/of
- meermalen in haar borsten te knijpen en/of in haar tepels te knijpen en/of (vervolgens deze) om te draaien en/of
- met een schroevendraaier in haar hand te steken, waardoor zij pijn en/of letsel heeft bekomen en/of
- meerdere keren dagenlang achter elkaar te beletten te eten en/of er zorg voor dragen dat die [benadeelde partij 2] geen of weinig eten kreeg en/of
- ( naakt) op de foto te zetten en/of vervolgens te dreigen die foto's naar klasgenoten, in elk geval de school, van die [benadeelde partij 2] te sturen, wanneer die [benadeelde partij 2] verdachte niet zou gehoorzamen en/of
- te beletten contact te hebben met haar zusjes, in elk geval familie, in elk geval de zusjes/familie van die [benadeelde partij 2] te beletten met haar contact op te nemen, gezien dat [benadeelde partij 2] - net zoals [benadeelde partij ] - de familie zou hebben verraden en/of
- voortdurend te kleineren en/of uit te schelden.
Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van deze onderdelen van de tenlasteleggingen. Met betrekking tot – kort gezegd – het in of rond de geslachtsdelen stoppen van gemalen peper en/of gember, en het (naakt) op de foto zetten – waarvan de advocaat-generaal in haar requisitoir heeft betoogd dat dit kan worden bewezen – neemt het hof daarbij het volgende in aanmerking. De beschreven gebeurtenissen hebben zich lange tijd geleden afgespeeld en de aangeefsters hebben hier meermalen met elkaar en met hulpverleners over gesproken. Gelet daarop, acht het hof het voor het vaststellen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters van belang dat deze steun vinden in een andere bron. Nu deze met betrekking tot deze onderdelen van de tenlastelegging niet aanwezig is, komt het hof in zoverre tot vrijspraak.
Categorie B: geen betekenisvol fysiek aspect of gevolg
Het hof is, gelet op het vooropgestelde juridisch kader, van oordeel dat ten aanzien van de volgende gedachtestreepjes niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring, omdat het niet gaat om gedragingen met enig betekenisvol fysiek aspect of gevolg. Deze gedragingen kunnen daarom niet worden aangemerkt als mishandeling of opzettelijke benadeling van de gezondheid als bedoeld in artikel 300 Sr Pro.
Ten aanzien van feit 1
- te controleren op haar dagelijkse bewegingen door onder andere naar de school van die [benadeelde partij ] toe te gaan en/of daar te gaan kijken wat die [benadeelde partij ] aan het doen was en/of een audiorecorder, in elk geval een opnameapparaat, mee te geven om alle geluiden van de dag op te nemen en/of te verplichten een open telefoonverbinding te houden, waardoor verdachte mee kon luisteren naar alle bezigheden die die [benadeelde partij ] op een dag had en/of
- in de gaten te houden en/of haar bewegingen te controleren door in de woning van verdachte en/of die [benadeelde partij ] overal camera's op te hangen, al dan niet werkend, en/of audioapparatuur te plaatsen, al dan niet werkend, en/of hierbij andere gezinsleden de opdracht te geven haar in de gaten te houden en/of niet alleen te laten en/of tot zelfs in de badkamer en/of toilet aan toe in de gaten te houden en/of iemand mee te sturen en hierbij (het gevoel van) privacy van die [benadeelde partij ] enorm te beperken en/of
Ten aanzien van feit 2:
- te controleren op haar dagelijkse bewegingen door onder andere naar de school van die [benadeelde partij 2] toe te gaan en/of daar te gaan kijken wat die [benadeelde partij 2] aan het doen was en/of een audiorecorder, in elk geval een opnameapparaat, mee te geven om alle geluiden van de dag op te nemen en/of te verplichten een open telefoonverbinding te houden, waardoor verdachte mee kon luisteren naar alle bezigheden die die [benadeelde partij 2] op een dag had en/of
- in de gaten te houden en/of haar bewegingen te controleren door in de woning van verdachte en/of die [benadeelde partij 2] overal camera’s op te hangen, al dan niet werkend, en/of audioapparatuur te plaatsen, al dan niet werkend, en/of hierbij andere gezinsleden de opdracht te geven haar in de gaten te houden en/of niet alleen te laten en/of tot zelfs in de badkamer en/of toilet aan toe in de gaten te houden en/of iemand mee te sturen en hierbij (het gevoel van) privacy van die [benadeelde partij 2] enorm te beperken en/of
Categorie C: fysiek aspect, maar niet strafbaar
Ten aanzien van beide aangeefsters is ook ten laste gelegd – kort gezegd – het controleren op de maagdelijkheid. Van deze gedraging kan worden gezegd dat zij een fysiek aspect behelst: de aangeefsters moesten gaan liggen en hun benen spreiden, waarna de verdachte de geslachtsdelen controleerde. Het hof overweegt echter dat dit niet een gedraging is met een dusdanig fysiek aspect of gevolg, dat deze kan worden aangemerkt als opzettelijke benadeling van de gezondheid. Daarbij betrekt het hof dat de verdachte deze gedragingen heeft verricht in zijn rol als vader. Hoewel het – zeker naarmate kinderen ouder worden – als ongepast en ongewenst kan worden beschouwd dat een ouder de geslachtsdelen van zijn of haar kind controleert of inspecteert, kan in de gegeven omstandigheden niet worden gezegd dat dergelijk gedrag mishandeling als bedoeld in artikel 300 Sr Pro oplevert. Daarmee zou de reikwijdte van artikel 300 Sr Pro worden opgerekt op een manier die voor de verdachte niet voorzienbaar kan worden geacht.
Het hof komt dan ook niet tot een bewezenverklaring van:
Ten aanzien van feit 1 en 2:
- het controleren op haar maagdelijkheid, in elk geval haar geslachtsdelen te bekijken en/of de overige zussen en/of familieleden te vragen de maagdelijkheid te controleren, terwijl verdachte hierbij toekeek en/of aanwezig was.
Categorie D: bewezenverklaring
Het hof komt wel tot een bewezenverklaring van de overige onder feit 1 en 2 tenlastegelegde gedachtestreepjes, zoals bewezenverklaard door de rechtbank. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De verklaringen van aangeefsters
Gelet op het feit dat de beschreven gebeurtenissen zich lange tijd geleden hebben afgespeeld en de aangeefsters over hun ervaringen hebben gesproken met elkaar en met professionele hulpverleners, zal het hof behoedzaam omgaan met hun verklaringen. Het hof zal deze alleen voor het bewijs gebruiken voor zover zij worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de verklaringen van onder anderen hun zus [getuige 1] en de verdachte zelf.
Steunbewijs
Anders dan de verdediging is het hof, net als de rechtbank, van oordeel dat het dossier in voldoende mate
steunbewijs biedt voor de verklaringen van de aangeefsters dat zij beiden gedurende een lange periode fysiek zijn mishandeld door hun vader. Hun verklaringen vinden op belangrijke onderdelen steun in de verklaringen van de verdachte zelf. Zo heeft de verdachte verklaard dat hij de aangeefsters heeft geslagen met een riem, de vlakke hand en een slipper op het gezicht, de billen en het lichaam.
Daarnaast ziet het hof steunbewijs in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , zijnde de twee andere nog thuiswonende dochters van verdachte, alsmede in de verklaring van [naam] , de moeder van [benadeelde partij ] , [getuige 1] en [getuige 2] . Ten slotte is er ook vanuit diverse overige bronnen informatie naar voren gekomen waaruit kan worden afgeleid dat de aangeefsters werden mishandeld. Zo blijkt uit verslagen van de middelbare school van zowel [benadeelde partij ] als [benadeelde partij 2] dat bij hen blauwe plekken waren waargenomen en voor [benadeelde partij ] gold dat ook al op de basisschool. De betrokkenen van beide scholen zijn, aldus de zich in het dossier bevindende correspondentie door de jaren heen, bezorgd geweest om het welzijn van [benadeelde partij ] en [benadeelde partij 2] .
Naar het oordeel van het hof is dan ook vast komen te staan dat de verdachte de aangeefsters, zijnde zijn dochters [benadeelde partij ] en [benadeelde partij 2] , jarenlang lichamelijk heeft mishandeld door met (onder meer) een riem en de hand op het gezicht, de billen en het lichaam te slaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1
hij in de periode van 7 oktober 2009 tot en met 30 april 2014 te Alkmaar , zijn kind, [benadeelde partij ] (geboortedatum [geboortedatum] ) heeft mishandeld door die [benadeelde partij ] :
- meermalen op haar billen te slaan en
- meermalen in haar gezicht en/of op haar lichaam te slaan en
- meermalen met diverse voorwerpen, waaronder een riem, op haar lichaam te slaan,
waardoor zij pijn en/of letsel heeft bekomen.
Feit 2
hij in de periode van 7 oktober 2009 tot en met 31 december 2019 te Alkmaar en/of Zaandam , zijn kind, [benadeelde partij 2] (geboortedatum [geboortedatum 2] ) heeft mishandeld door die [benadeelde partij 2] :
- meermalen in haar gezicht en op haar lichaam te slaan en
- meermalen met diverse voorwerpen, waaronder een riem op haar lichaam te slaan,
waardoor zij pijn en/of letsel heeft bekomen.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
telkens: mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
De rechtbank heeft de verdachte voor een ruimere bewezenverklaring van feit 1 en 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, met als bijzondere voorwaarden: meldplicht, een verplichting tot ambulante behandeling, een contactverbod met beide aangeefsters en een locatieverbod. De rechtbank heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden bevolen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde, waarbij zij tot een ruimere bewezenverklaring komt dan het hof, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar, met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarde een meldplicht, die dadelijk uitvoerbaar dient te worden verklaard. Daarnaast vordert zij de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, in de vorm van een contactverbod met de beide aangeefsters en een locatieverbod voor [benadeelde partij 2] , beide voor de duur van 5 jaar, dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De raadsman heeft – in het geval het hof tot een bewezenverklaring komt – verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf dan wel een taakstraf op te leggen. Ook heeft de raadsman, in het geval het hof tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf komt die hoger is dan het voorarrest, het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het laten uitvoeren van een detentiegeschiktheidsonderzoek, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het jarenlang fysiek mishandelen van twee van zijn dochters. De verdachte heeft daarmee de lichamelijke integriteit van zijn kinderen ernstig geschonden. De mishandelingen vonden thuis plaats, terwijl de aangeefsters zich juist op deze plek bij hun vader geborgen en veilig moesten kunnen voelen. [benadeelde partij ] voelde zich op enig moment zelfs genoodzaakt om op zeer jonge leeftijd van huis weg te lopen, waarna zij onder toezicht werd gesteld. In het bijzonder op dit moment had het de verdachte duidelijk moeten worden dat zijn gedrag onacceptabel was en dat hij alternatieve opvoedingsstrategieën zou moeten ontwikkelen om op een adequate wijze om te gaan met zijn dochters. Zelfs nadat de verdachte hiervoor hulp had ontvangen van instanties en [benadeelde partij ] weer thuis was komen wonen, is de verdachte echter nog gedurende zes jaar doorgegaan met mishandelen.
Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zijn dochters een normale jeugd heeft ontnomen en hun ontwikkeling ernstig heeft verstoord. Dat deze feiten grote impact op hen hebben gehad, kan worden afgeleid uit de onderbouwing van de vorderingen die zij hebben ingediend als benadeelde partijen. Hieruit blijkt onder meer dat beide aangeefsters psychische klachten aan de jarenlange mishandeling hebben overgehouden. De weg naar herstel hiervan kan nog vele jaren in beslag nemen.
Het hof is, gelet op de ernst van de feiten en in het bijzonder de omstandigheid dat de feiten zich hebben afgespeeld binnen de huiselijke sfeer, van oordeel dat met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet kan worden volstaan. Wat betreft de duur van de gevangenisstraf weegt het hof in straf verminderende zin het volgende mee.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt het hof rekening met het feit dat de verdachte ernstig ziek is. Hij staat bovenaan de wachtlijst voor een nieuwe nier en kan elk moment gebeld worden door het ziekenhuis voor een operatie. Ook houdt het hof rekening met het tijdsverloop van de procedure en de omstandigheid dat het gaat om strafbare feiten die zich langere tijd geleden hebben afgespeeld.
Het hof houdt tevens rekening met de proceshouding van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij zijn dochters heeft geslagen en dat hij soms te streng is geweest. Gevraagd naar wat hij nu anders zou doen, heeft de verdachte verklaard dat hij niet meer zou slaan. De verdachte heeft in het kader van de opgelegde bijzondere voorwaarden langdurige bemoeienis gehad van de reclassering. Het hof leidt uit een terugkoppeling hierover af, dat de verdachte ontvankelijk is gebleken voor de hulp die hij van instanties heeft gekregen en dat hij hier lering uit heeft getrokken. Uit het voortgangsverslag van de reclassering van 2 april 2026 blijkt dat de reclassering geen reden ziet om de verdachte nog langer te begeleiden. Het hof ziet dan ook geen redenen om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen en aan de verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen.
De rechtbank heeft als bijzondere voorwaarden een contactverbod en een locatieverbod opgelegd en daarvan de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen. Het hof ziet geen aanleiding om dat ook te doen. Nu de bijzondere voorwaarden in eerste aanleg dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard en de proeftijd van drie jaar inmiddels is verstreken, is oplegging van een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarde niet meer mogelijk. Het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr in de vorm van een contact- of locatieverbod is niet mogelijk, omdat daarvoor vereist is dat dit dient ter voorkoming van strafbare feiten en bescherming van de maatschappij. Nu uit het eerder genoemde voortgangsverslag volgt dat de reclassering geen reden ziet om de verdachte nog langer te begeleiden, kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat de verdachte een gevaar voor de maatschappij vormt.
Het hof acht, alles afwegende en gelet op het voorgaande, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden dan ook passend en geboden.
Het hof constateert dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 17 oktober 2022 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 22 april 2026 arrest wijst. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt aldus bijna anderhalf jaar. Daarover overweegt het hof het volgende. Aan de verdediging is begin 2023 gevraagd of er onderzoekswensen waren; daarop is geen reactie gekomen. In overleg met de verdediging is vervolgens de inhoudelijke behandeling gepland op 17 oktober 2024. Dit zou moeten hebben leiden tot een arrest op 31 oktober 2024, waarmee de redelijke termijn slechts nipt zou zijn overschreden. Kort voor deze zitting kwam de raadsman echter alsnog met een groot aantal getuigenverzoeken. Daarvan zijn uiteindelijk twee getuigen toegewezen en ter zitting gehoord. Dat legde een zo groot beslag op die zitting, dat daarna de behandeling voor onbepaalde tijd moest worden aangehouden, omdat de verdachte zich niet in staat voelde om nog verder te gaan. Een in 2025 geplande zitting kon niet doorgaan, omdat de raadsman verhinderd was als gevolg van zieke kantoorgenoten. De overschrijding van de redelijke termijn is daarmee vrijwel geheel aan de verdediging te wijten, zodat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij ]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 13.022,78, bestaande uit € 3.022,78 aan materiële schade,
€ 10.000,00 aan immateriële schade en € 1.126,00 aan proceskosten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van €10.137,78, te weten € 2.637,78 aan materiële schade, € 7.500,00 aan immateriële schade en € 1.126,00 aan proceskosten. De rechtbank heeft de vordering tot materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en de vordering tot immateriële schade voor het overige afgewezen.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft verzocht de gevorderde schadevergoeding in zijn geheel toe te wijzen, met oplegging van de wettelijke rente conform de beslissing van de rechtbank en de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.022,78. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Ter toelichting dient het volgende.
Van de gevorderde materiële schade ziet een bedrag van € 2.637,78 op medicijnen, psychologische hulpverlening en studievertraging als gevolg van gediagnosticeerde depressie en PTSS (zie hierna onder ‘immateriële schade’).
De rechtbank heeft de gevorderde post van € 385,00 euro wegens kosten voor het eigen risico van 2022 niet-ontvankelijk verklaard nu dit toekomstige schade betrof. In hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij deze schade aanvullend onderbouwd aan de hand van productie 13, waaruit blijkt dat het eigen risico over 2022 is betaald door de benadeelde partij. Dit is niet weersproken door de verdediging. Het hof zal daarom ook deze materiële schade als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde toewijzen.
Concluderend bestaat de toewijsbare materiële schade uit:
€ 136,13 medicatie (vallend onder het eigen risico 2021; totaal van drie facturen);
€ 84,60 behandeling bij de Parnassia Groep B.V.;
€ 250,05 behandeling bij Psytrec 2.0 GGZ;
€ 2.167,00 collegegeld (studievertraging 2020-2021);
€ 385,00eigen risico 2022;
€ 3.022,78 totaal.
De wettelijke rente zal worden toegewezen zoals hierna genoemd in de beslissing. Ter bepaling van de aanvangsdatum is uitgegaan van de diverse factuurdata. Voor de medicatiekosten is redelijkerwijs schattend 15 augustus 2021 als aanvangsdatum vastgesteld, zijnde het midden van de totale periode van de drie deelfacturen.
Ten aanzien van de immateriële schade
Aanspraak
De benadeelde partij is het slachtoffer geweest van de onder feit 1 bewezenverklaarde langdurige mishandelingen. Het hof is van oordeel dat zij als rechtstreeks gevolg daarvan lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten door diverse personen waargenomen blauwe plekken. Mede gezien de in dit arrest beschreven concrete omstandigheden waaronder dit huiselijk geweld heeft plaatsgevonden en gelet op de hierna te noemen medische beschouwingen, is het hof van oordeel dat zij bovendien als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde geestelijk letsel heeft opgelopen. Blijkens overgelegde medische stukken van 29 juni 2020 en 14 juli 2021 van twee psychologen/therapeuten die achtereenvolgend de benadeelde hebben behandeld, is bij de benadeelde een depressie en (vervolgens tevens) een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) gediagnosticeerd. Daarbij hebben de psychologen opgemerkt dat zij dagelijks somberheid ervaart, nachtmerries en suïcidale gedachtes heeft en continu een gevoel van angst en gevaar ervaart, waarvoor zij gesprekstherapie en EMDR-sessies heeft gehad. Ter terechtzitting is door haar gemachtigde meegedeeld dat de benadeelde vorig jaar is gestopt met intensieve therapie, dat het beter gaat, zij bezig is met werk en opleiding en zij zich nu wil concentreren op de toekomst, maar dat niet is uitgesloten dat nieuwe therapie nog nodig zal zijn. Dit alles is niet (voldoende) door de verdediging betwist.
Daarmee heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro recht op vergoeding van immateriële schade en komt het hof toe aan de begroting van die schade.
Begroting
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Het hof gaat concreet uit van de Rotterdamse Schaal (RS) en heeft acht geslagen op de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW Pro (rechtspraak.nl).
Het hof neemt voor het geestelijk letsel als uitgangspunt de RS-categorie ‘posttraumatische stressstoornis (PTSS) middelzwaar’ met een bandbreedte van € 5.500,00 tot € 16.000,00 (RS par. 14.2 onder c). Het hof neemt voor het lichamelijk letsel als uitgangspunt de RS-categorie ‘licht letsel met een herstelperiode van ongeveer twee maanden’ met een bandbreedte tot € 1.100,00 (RS par. 13, onder c). Ook neemt het hof in ogenschouw: het teweeggebrachte meervoudige letsel gedurende een lange periode; de jeugdige leeftijd van de benadeelde ten tijde van het bewezenverklaarde in samenhang met de lange duur van het toebrengen van letsel; de benodigde hulpverlening bij de behandeling en herstel van het geestelijk letsel; alsmede de ernst van de verwijtbaarheid.
Alles afwegend en in onderlinge samenhang beschouwd, acht het hof in de gegeven omstandigheden het gevorderde (en daarmee voor het hof maximaal toewijsbare) totaalbedrag aan immateriële schade van € 10.000,00 billijk. Dit bedrag zal dan ook geheel worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente hierover is eveneens toewijsbaar. Daarbij wordt uitgegaan van de door de rechtbank bepaalde en in hoger beroep niet betwiste aanvangsdatum van 1 mei 2014, tot aan de dag van algehele voldoening.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof zal, evenals de rechtbank en in hoger beroep niet weersproken, de verdachte veroordelen in de gevorderde proceskosten in eerste aanleg, begroot op € 1.126,00.
De proceskosten in hoger beroep zal het hof ambtshalve begroten op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.232,00, bestaande uit € 232,00 aan materiële schade, € 10.000,00 aan immateriële schade en € 1.543,26 aan proceskosten, inclusief € 417,36 aan reis- en parkeerkosten. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.732,00, te weten de gevorderde € 232,00 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade, met afwijzing van het méér gevorderde. De rechtbank heeft de gevorderde proceskosten begroot op € 1.126,00, en de gevorderde reis- en parkeerkosten niet toewijsbaar geacht.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft verzocht de gevorderde schadevergoeding in zijn geheel toe te wijzen, met oplegging van de wettelijke rente conform de beslissing van de rechtbank en de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de materiële schade
De gestelde schade bestaat uit:
€ 175,00 (totaal van vier facturen) behandeling door een therapeute;
€ 57,00kosten voor behandeling door een psycholoog;
€ 232,00 totaal
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof, net als de rechtbank, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder feit 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte deze schade heeft geleden. Dit is in hoger beroep niet weersproken. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
De wettelijke rente zal worden toegewezen zoals hierna genoemd in de beslissing. Ter bepaling van de aanvangsdatum is uitgegaan van de diverse factuurdata. Voor de post van € 175,00 is redelijkerwijs schattend 1 november 2019 als aanvangsdatum vastgesteld, zijnde het midden van de totale periode van de vier deelfacturen.
Ten aanzien van de immateriële schade
Aanspraak
De benadeelde partij is het slachtoffer geweest van de onder feit 2 bewezenverklaarde langdurige mishandelingen. Als rechtstreeks gevolg daarvan heeft zij lichamelijk letsel opgelopen, te weten door diverse personen waargenomen blauwe plekken en een op een foto waarneembaar klein litteken bij haar linker wenkbrauw. Mede gezien de in dit arrest beschreven concrete omstandigheden waaronder dit huiselijk geweld heeft plaatsgevonden en gelet op de hierna te noemen medische beschouwing, is het hof van oordeel dat zij bovendien als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde geestelijk letsel heeft opgelopen. Blijkens een overgelegd medisch stuk van 9 februari 2022 van haar behandelend psycholoog is bij de benadeelde een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) gediagnosticeerd. Daarbij heeft de psycholoog opgemerkt dat zij te kampen heeft met angst en nachtmerries, waarvoor zij is behandeld met EMDR-sessies. Ter terechtzitting is door haar gemachtigde meegedeeld dat zij, nadat zij eerder was gestopt met deze therapie omdat die te heftig voor haar was, sinds juni 2025 hier toch weer mee is begonnen, dat het nu beter gaat en zij bezig is met werk en opleiding. Dit alles is niet (voldoende) door de verdediging betwist.
Daarmee heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro recht op vergoeding van immateriële schade en komt het hof toe aan de begroting van die schade.
Begroting
Ten aanzien van de begroting is hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen bij de benadeelde partij [benadeelde partij ] evenzeer van toepassing op de benadeelde partij [benadeelde partij 2] . Dit geldt voor zowel het aldaar genoemde toetsingskader als de concrete begroting, op basis van de individuele situatie van eveneens [benadeelde partij 2] .
Alles afwegend en in onderlinge samenhang beschouwd, acht het hof in de gegeven omstandigheden het door haar gevorderde (en daarmee voor het hof maximaal toewijsbare) totaalbedrag aan immateriële schade van € 10.000,00 billijk. Dit bedrag zal dan ook geheel worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente hierover is eveneens toewijsbaar. Daarbij wordt uitgegaan van de door de rechtbank bepaalde en in hoger beroep niet betwiste aanvangsdatum van 1 januari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof zal, zoals in hoger beroep niet is weersproken, de verdachte veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg, begroot op € 1.126,00, met afwijzing van het méér gevorderde.
De proceskosten in hoger beroep zal het hof ambtshalve begroten op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van de navolgende gedachtestreepjes:
feit 1:
- met een lat te slaan;
- meermalen (langdurig) op haar knieen te laten zitten en/of haar hierbij te beletten op te staan;
- te beletten contact te hebben met haar zusjes, in elk geval familie, in elk geval de zusjes/familie van die [benadeelde partij 2] te beletten met haar contact op te nemen gezien dat [benadeelde partij 2] – net zoals [benadeelde partij ] – de familie zou hebben verraden;
- de haren heel kort af te knippen als straf.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij ]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij ] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 13.022,78 (dertienduizend tweeëntwintig euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 3.022,78 (drieduizend tweeëntwintig euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in eerste aanleg gemaakt, tot op heden begroot op € 1.126,00, en in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij in hoger beroep gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij ] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 13.022,78 (dertienduizend tweeëntwintig euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 3.022,78 (drieduizend tweeëntwintig euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 90 (negentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 15 augustus 2021 over een bedrag van € 136,13;
- 6 april 2021 over een bedrag van € 84,60;
- 22 maart 2022 over een bedrag van € 250,05;
- 22 september 2022 over een bedrag van € 2.167,00;
- 11 mei 2023 over een bedrag van € 385,00;
en voor de immateriële schade op 1 mei 2014.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.232,00 (tienduizend tweehonderdtweeëndertig euro) bestaande uit € 232,00 (tweehonderdtweeëndertig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in eerste aanleg gemaakt, tot op heden begroot op € 1.126,00, en in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, en wijst het meer gevorderde af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij in hoger beroep gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.232,00 (tienduizend tweehonderdtweeëndertig euro) bestaande uit € 232,00 (tweehonderdtweeëndertig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 76 (zesenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 1
november 2019 over een bedrag van € 175,00;
- 1 februari 2022 over een bedrag van € 57,00;
en voor de immateriële schade op 1 januari 2020.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. N. van der Wijngaart en mr. F.C.W. de Graaf, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 april 2026.
Mr. N. van der Wijngaart, mr. F.C.W. de Graaf en mr. I. Peetoom zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.