Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1077

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
200.342.102/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:52 BWArt. 7:907 BWArt. 2 WCAM-overeenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tegenbewijs tegen verjaringsstelling effectenleaseovereenkomsten

In deze civiele zaak gaat het om effectenleaseovereenkomsten die zijn gesloten door wijlen P. van Twuijver met een rechtsvoorgangster van Dexia Nederland B.V. De echtgenote van de afnemer heeft de vernietigbaarheid van deze overeenkomsten ingeroepen omdat zij geen schriftelijke toestemming had gegeven voor het aangaan ervan. Dexia betwist onder meer dat de vordering tot vernietiging niet is verjaard.

De kantonrechter heeft de overeenkomsten vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling aan de echtgenote. Dexia gaat in hoger beroep tegen het oordeel dat de vordering niet is verjaard. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen vanaf het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomsten. Dexia voert aan dat de echtgenote door betalingen vanaf een en/of-rekening vóór 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten.

Het hof acht dit aannemelijk en laat de echtgenote toe tegenbewijs te leveren tegen deze stelling. Indien zij dit wenst te doen, kan zij getuigen laten horen tijdens een verhoor dat zal plaatsvinden op 8 mei 2026. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat dit tegenbewijs is geleverd of niet.

Uitkomst: Het hof staat toe dat de echtgenote tegenbewijs levert tegen de stelling dat zij vóór 13 maart 2000 bekend was met de effectenleaseovereenkomsten en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.342.102/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9812152 EL 22-33
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,
en
[geïntimeerde] in haar hoedanigheid van erfgename van [naam],
wonend te [plaats] ,
gevoegde en tussenkomende partij,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia, de echtgenote en de erfgename genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

In deze zaak heeft het hof op 1 juli 2025 in het incident tot voeging en tussenkomst een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dit tussenarrest verwezen.
Daarna zijn de volgende stukken gewisseld:
- memorie na voeging en tussenkomst van de erfgename;
- memorie van antwoord na voeging en tussenkomst van Dexia.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.

2.Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis van 22 februari 2024 onder “De feiten” feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.
2.1.
Wijlen P. van Twuijver, hierna de afnemer, heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
73040800
29-06-1997
[bedrijf 1]
60 mnd.
26-06-2002
-/- € 840,10
2.
59011873
29-05-1998
[bedrijf 2]
120 mnd.
28-05-2008
€ 243,81
3.
74112260
26-11-1998
[bedrijf 3]
36 mnd.
27-11-2001
€ 1.176,35
2.2.
De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.
2.3.
Bij brief van 1 februari 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro meegedeeld de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen.

3.Beoordeling

3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van Pro de WCAM-overeenkomst. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
3.2.
Deze procedure ziet op door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.
3.3.
De kantonrechter heeft voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote ter zake de effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.
3.4.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. Dexia heeft onder meer grieven gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door de echtgenote niet is verjaard.
3.5.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW Pro het recht de effectenleaseovereenkomsten, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven.
3.6.
Uit artikel 3:52 lid Pro 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW Pro volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW Pro vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW Pro kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.
3.7.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid.
3.8.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer [stichting] . Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).
3.9.
Dexia heeft in dit verband, onder meer, aangevoerd dat de maandelijkse betalingen aan Dexia voor de effectenleaseovereenkomsten van een en/of-rekening op naam van de afnemer en de echtgenote zijn gedaan, zodat aangenomen moet worden dat de echtgenote vanaf de ontvangst van het oudste bankafschrift betreffende een betaling aan Dexia op de hoogte is geraakt van de effectenleaseovereenkomsten. De echtgenote heeft erkend dan wel onvoldoende weersproken dat de betalingen vanaf de en/of-rekening zijn gedaan.
3.10.
Het hof ziet aanleiding om eerst deze stelling te behandelen en laat dus vooralsnog in het midden waartoe de overige stellingen en/of verweren van Dexia moeten leiden. Aan het feit dat de betalingen zijn gedaan vanaf de en/of-rekening, ontleent het hof het bewijsvermoeden dat de echtgenote op de datum van het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia is vermeld, bekend werd met de effectenleaseovereenkomst (vergelijk HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506). Dit brengt mee dat Dexia voorshands is geslaagd in het bewijs dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten bekend is geworden. Het is vervolgens aan de echtgenote om overeenkomstig haar aanbod tegenbewijs te leveren van deze bekendheid. Het hof zal hiertoe de gelegenheid geven zoals hierna onder 4.1 is vermeld.
3.11.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.Beslissing

Het hof:
4.1.
laat de echtgenote toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als bewezen geachte stelling dat zij vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten bekend is geworden;
4.2.
bepaalt dat als de echtgenote dit tegenbewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. J.W.M. Tromp die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 8 mei 2026 om 9:30 uur;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, L. Alwin en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.