ECLI:NL:GHAMS:2026:1077
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toelating tegenbewijs tegen verjaringsstelling effectenleaseovereenkomsten
In deze civiele zaak gaat het om effectenleaseovereenkomsten die zijn gesloten door wijlen P. van Twuijver met een rechtsvoorgangster van Dexia Nederland B.V. De echtgenote van de afnemer heeft de vernietigbaarheid van deze overeenkomsten ingeroepen omdat zij geen schriftelijke toestemming had gegeven voor het aangaan ervan. Dexia betwist onder meer dat de vordering tot vernietiging niet is verjaard.
De kantonrechter heeft de overeenkomsten vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling aan de echtgenote. Dexia gaat in hoger beroep tegen het oordeel dat de vordering niet is verjaard. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen vanaf het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomsten. Dexia voert aan dat de echtgenote door betalingen vanaf een en/of-rekening vóór 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten.
Het hof acht dit aannemelijk en laat de echtgenote toe tegenbewijs te leveren tegen deze stelling. Indien zij dit wenst te doen, kan zij getuigen laten horen tijdens een verhoor dat zal plaatsvinden op 8 mei 2026. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat dit tegenbewijs is geleverd of niet.
Uitkomst: Het hof staat toe dat de echtgenote tegenbewijs levert tegen de stelling dat zij vóór 13 maart 2000 bekend was met de effectenleaseovereenkomsten en houdt verdere beslissing aan.