ECLI:NL:GHAMS:2026:1076
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toelating tegenbewijs tegen bekendheid echtgenote met effectenleaseovereenkomsten vóór 13 maart 2000
In deze civiele zaak in hoger beroep tussen Dexia Nederland B.V. en afnemer staat centraal de vernietigbaarheid van effectenleaseovereenkomsten die afnemer met een rechtsvoorgangster van Dexia heeft gesloten. De echtgenote van afnemer heeft de vernietigbaarheid ingeroepen wegens het ontbreken van haar schriftelijke toestemming bij het aangaan van deze overeenkomsten.
De kantonrechter heeft de effectenleaseovereenkomsten vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling aan afnemer. Dexia gaat in hoger beroep tegen het oordeel dat de vordering tot vernietiging niet is verjaard. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen vanaf het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomsten.
Het hof neemt aan dat de echtgenote door betalingen vanaf een en/of-rekening voorshands bekend was met de overeenkomsten vóór 13 maart 2000. Afnemer wordt echter toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen deze stelling. Het hof bepaalt dat indien afnemer getuigen wil horen, dit zal plaatsvinden op 8 mei 2026. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: Afnemer wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de stelling dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend was met de effectenleaseovereenkomsten; verdere beslissing wordt aangehouden.