ECLI:NL:GHAMS:2026:1067
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep effectenlease: verjaring vernietigingsrecht echtgenote en bewijsopdracht
In deze zaak staat centraal of de echtgenote van de afnemer tijdig haar recht tot vernietiging van effectenleaseovereenkomsten heeft uitgeoefend, dan wel dat dit recht is verjaard. De effectenleaseovereenkomsten zijn gesloten tussen de afnemer en een rechtsvoorgangster van Dexia. De echtgenote heeft zonder schriftelijke toestemming van de afnemer de vernietiging ingeroepen op grond van artikel 1:89 BW Pro in samenhang met artikel 1:88 BW Pro.
De kantonrechter heeft de overeenkomsten vernietigd en Dexia veroordeeld tot betaling aan de afnemer. Dexia gaat in hoger beroep tegen het oordeel dat de vernietigingsvordering niet is verjaard. Het hof overweegt dat de verjaringstermijn van drie jaar begint te lopen vanaf het moment dat de echtgenote bekend is met het bestaan van de overeenkomst, niet vanaf het moment dat zij de juridische consequenties begrijpt.
Het hof neemt een bewijsvermoeden aan dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend was met de effectenleaseovereenkomsten, omdat de betalingen vanaf een en/of-rekening zijn gedaan. Het is aan de afnemer om tegenbewijs te leveren. Het hof bepaalt dat dit tegenbewijs kan worden geleverd door getuigenverhoor, dat op 6 mei 2026 zal plaatsvinden. De verdere beslissing wordt aangehouden tot na dit verhoor.
Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en bepaalt een getuigenverhoor om tegenbewijs te leveren over de bekendheid van de echtgenote met de effectenleaseovereenkomsten.