Verzoekster heeft in een civiele hoger beroepsprocedure een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheren die het tussenarrest in het incident hebben gewezen. Zij stelde dat de namen van de raadsheren niet vooraf bekend waren gemaakt, waardoor zij niet tijdig kon wraken, en dat eerdere betrokkenheid van een van de raadsheren bij procedures met de bestuurder van verzoekster aanleiding gaf tot vrees voor vooringenomenheid.
De raadsheren hebben schriftelijk gereageerd en ontkenden elke grond voor wraking. De wrakingskamer heeft het verzoek in een openbare zitting behandeld, waarbij de raadsheren niet aanwezig waren, maar de advocaat van verzoekster wel.
De wrakingskamer oordeelde dat het niet vooraf bekendmaken van de namen geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid oplevert en dat eerdere betrokkenheid van de raadsheren bij andere procedures onvoldoende grond is voor wraking. Ook de vermeende besmetting van een derde raadsheer werd verworpen. Het wrakingsverzoek is daarom afgewezen.
De beslissing is genomen door de wrakingskamer van het Gerechtshof Amsterdam op 9 april 2026 en ondertekend door de voorzitter en griffier.