Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:828

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 maart 2025
Publicatiedatum
1 april 2025
Zaaknummer
23-000731-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis mensensmokkel met deels voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mensensmokkel van een vrouw en een minderjarig kind vanuit Pakistan naar Nederland. Hij boekte vliegtickets, begeleidde de slachtoffers en gebruikte vervalste reisdocumenten, waarbij hij zich voordeed als echtgenoot en vader. Het hof bevestigde de bewezenverklaring en vernietigde het vonnis alleen ten aanzien van de strafoplegging en het beslag.

Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het minderjarige slachtoffer en de professionele wijze van handelen van de verdachte. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep matigde het hof de straf tot 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 141 dagen voorwaardelijk, en legde een geldboete van €5.000 op. Het onvoorwaardelijke deel van de straf was reeds doorgebracht in voorarrest.

Het beslag op 36.110 Pakistaanse roepies werd opgeheven omdat geen verband kon worden gelegd met het bewezenverklaarde feit. De verdachte had daarnaast een bedrag van €2.500 voldaan in het kader van schorsingsvoorwaarden, dat niet met de geldboete werd verrekend. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 18 maart 2025.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf waarvan 141 dagen voorwaardelijk en een geldboete van €5.000.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000731-21
datum uitspraak: 18 maart 2025
TEGENSPRAAK (279 Sv)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 maart 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-820519-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1962,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging, inclusief de verbeurdverklaring. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest. Het onder de verdachte in beslag genomen geld heeft de rechtbank verbeurd verklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 144 dagen met aftrek van voorarrest. Voorts heeft zij de verbeurdverklaring gevorderd van de in beslag genomen 36.110 Pakistaanse roepies.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte en diens draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel. Hij heeft twee niet aan elkaar verwante personen, een vrouw en een minderjarig kind, tegelijkertijd vanuit Pakistan naar Nederland gesmokkeld. De verdachte heeft de vliegtickets voor de reis geboekt, de gesmokkelde personen begeleid tijdens de vluchten naar Nederland en hun vervalste reisdocumenten bij de grensbewaking op Schiphol aangeboden, waarbij hij zich heeft voorgedaan als hun echtgenoot respectievelijk vader. De verdachte is hierbij op een professionele en geraffineerde wijze te werk gegaan, door onder meer gebruik te maken van zogenaamde
look a likereisdocumenten met valse reisstempels en een vervalste uitnodigingsbrief van een bedrijf in Helsinki. Het hof laat bij de straftoemeting bovendien ten nadele van de verdachte zwaar meewegen dat een van de slachtoffers een minderjarig en aldus (kwetsbaar) kind betrof.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting door de raadsman naar voren zijn gebracht. De verdachte heeft in een e-mail gericht aan het hof geschreven dat hij leiding geeft aan drie bedrijven in Pakistan, waar hij woont met zijn vrouwen en kinderen. Hij geeft te kennen dat hij graag voor zaken de Europese Unie weer wil kunnen betreden. Daarnaast neemt hij verantwoordelijkheid voor zijn daden van destijds.
Het hof acht in beginsel, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het feit, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden passend en geboden.
Het hof stelt vast dat er in eerste aanleg en in hoger beroep een overschrijding is geweest van de redelijke termijn. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 1 juni 2015, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft in deze zaak vonnis gewezen op 11 maart 2021. Dit brengt een overschrijding van de redelijke termijn van drie jaar en negen maanden met zich. Net als de rechtbank ziet het hof hierin aanleiding de straf te matigen naar zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voorts is namens de verdachte op 22 maart 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 18 maart 2025. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in hoger beroep met twee jaren is overschreden.
Gelet hierop, op het feit dat er een groot tijdsverloop van tien jaren is geweest sinds het tenlastegelegde, en op het feit dat de verdachte sindsdien niet meer in aanmerking lijkt te zijn gekomen met politie en justitie in Europa, ziet het hof aanleiding over te gaan tot een andere strafmodaliteit. Het hof zal daarom een gevangenisstraf in (deels) voorwaardelijke vorm en een geldboete opleggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf reeds in voorarrest is ondergaan.
Het hof acht, alles afwegende, de hierna te noemen (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf en geldboete passend en geboden. Het hof heeft bij de hoogte van de geldboete in ogenschouw genomen dat de verdachte daarnaast nog een bedrag van € 2.500,00 heeft voldaan in het kader van zijn schorsingsvoorwaarden uit 2015, welk bedrag niet aan hem retour zal mogen worden gestuurd en niet met de op te leggen geldboete zal worden verrekend.

Beslag

De inbeslaggenomen 36.110 Pakistaanse roepies dienen te worden geretourneerd aan de verdachte, nu geen link kan worden gelegd tussen dit bij hem aangetroffen geldbedrag en het bewezenverklaarde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
141 (honderdeenenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
36.110 Pakistaanse roepies (itemnrs 28, 29, 30, 31 en 32).
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. B.A.A. Postma en mr. N.A. Schimmel, in tegenwoordigheid van
mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
18 maart 2025.
De jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.