Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:767

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 maart 2025
Publicatiedatum
25 maart 2025
Zaaknummer
23-002447-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 310 SrArt. 350 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking duur ISD-maatregel voor vreemdeling wegens diefstal en vernieling

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin verdachte was veroordeeld voor diefstal in drie winkels en vernieling van een auto. De verdachte had geen rechtmatig verblijf in Nederland en werd slapend aangetroffen in een vernielde auto. De rechtbank had een ISD-maatregel van twee jaar opgelegd met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal vorderde een ISD-maatregel van twee jaar zonder aftrek van voorarrest, terwijl de raadsman een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest of subsidiair een ISD-maatregel van één jaar met aftrek van voorarrest verzocht. Het hof oordeelde dat de ernst van de feiten en de recidivegevaar rechtvaardigen dat een ISD-maatregel wordt opgelegd, maar dat de duur ervan proportioneel beperkt moet worden tot één jaar.

Het hof nam het advies van de reclassering en de omstandigheden van de verdachte mee, waaronder zijn wens om terug te keren naar Roemenië voor de zorg van zijn dochter. De maatregel dient vooral het doel van repatriëring en het voorkomen van recidive. De tijd in voorarrest wordt niet in mindering gebracht. Het hof bepaalt dat zes maanden na aanvang van de maatregel de noodzaak van voortzetting getoetst zal worden.

De overige onderdelen van het vonnis worden bevestigd. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 11 maart 2025.

Uitkomst: Het gerechtshof legt een ISD-maatregel van één jaar op zonder aftrek van voorarrest en bevestigt de overige veroordelingen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002447-24
datum uitspraak: 11 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 oktober 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-239918-24 en 15-226233-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1987,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de (duur van de) opgelegde maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel). In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van maatregel

De rechtbank heeft aan de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren opgelegd en heeft daarbij bepaald dat de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht daarop in mindering zal worden gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren zal worden opgelegd ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zonder aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft primair verzocht een gevangenisstraf op te leggen, die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de duur van de ISD-maatregel te beperken tot één jaar en daarbij aftrek van voorarrest toe te passen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het enige doel van een eventuele ISD-maatregel nog slechts repatriëring van de verdachte naar zijn land van herkomst is en dat daarvoor geen langdurende ISD-maatregel nodig is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal in drie verschillende winkels en heeft daarbij kleding en cosmetica weggenomen. Dit zijn ergerlijke feiten die naast schade veel overlast voor de getroffen bedrijven veroorzaken. Daarnaast is de verdachte slapend aangetroffen in een personenauto, die hij was binnengekomen door een ruit te vernielen. Ook dit is een ergerlijk feit dat naast schade veel overlast veroorzaakt voor de gedupeerde. Door aldus te handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendommen.
Vast staat dat de verdachte geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij terug wil keren naar Roemenië, zijn land van herkomst, in verband met de zorg voor zijn dochter die op dit moment bij haar zieke oma verblijft.
Het hof heeft kennisgenomen van het adviesrapport van Fivoor reclassering van 25 juli 2024. De reclassering adviseert oplegging van de ISD-maatregel voor vreemdelingen, de zogeheten VRIS-ISD. Het voornaamste doel van deze maatregel is repatriëring. De Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V) is hiervoor de verantwoordelijke instantie. Binnen de inrichting kan de verdachte deelnemen aan interventies gericht op het aanleren van vaardigheden om zich in het land van herkomst beter staande te kunnen houden. Daarnaast biedt de inrichting, indien geïndiceerd, hulp en behandeling op het gebied van verslaving, psychische of lichamelijke problematiek. De maatregel voorkomt tevens recidive en overlast voor de duur van de maatregel.
Het hof stelt vast dat aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 10 februari 2025 blijkt dat de verdachte gedurende vijf jaar voorafgaand aan het plegen van de onderhavige feiten tenminste driemaal ter zake van een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit arrest bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapporten van de reclassering, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen en goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de aard en het aantal van de door de verdachte begane strafbare feiten. Voorts zijn er in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten meer dan tien processen-verbaal tegen de verdachte opgemaakt, waarvan tenminste een in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen van de pleegdatum van onderliggend feit.
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat de oplegging van een ISD-maatregel passend en geboden is. Daaraan doet niet af dat er reeds een titel bestaat voor uitzetting, er gedurende de looptijd van de ISD-maatregel in samenwerking met DT&V getracht zal worden de verdachte terug te laten keren naar Roemenië en de ISD-maatregel dus geen extramurale fase gericht op re-integratie in de Nederlandse samenleving zal kennen. De ISD-maatregel strekt immers volgens de bewoordingen van het tweede lid van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht zowel tot beveiliging van de maatschappij als tot beëindiging van de recidive door de verdachte. Dat het hier een ISD-maatregel voor vreemdelingen betreft, doet daar niet aan af.
Gelet op de beoogde proportionaliteit van de ISD-maatregel, ziet het hof in voornoemde omstandigheden wel aanleiding om de duur van deze ISD-maatregel te beperken tot een jaar en om uiterlijk zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging daarvan de noodzaak van de voortzetting daarvan te toetsen. Daarbij dient getoetst te worden wat er zowel door DT&V als de verdachte tegen die tijd is ondernomen, of dat redelijkerwijs kan worden aangemerkt als voldoende inspanning, wat er nog nodig is om terugkeer van de verdachte naar Roemenië mogelijk te maken, en in het bijzonder of met inachtneming van één en ander voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nog gerechtvaardigd is. Het hof schat in dat een periode van (minimaal) een jaar in beginsel nodig is om te voldoen aan het belangrijke doel van juist de VRIS/ISD, te weten het uitzetten van de verdachte. Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van
1 (één) jaar.
Bepaalt dat het openbaar ministerie binnen
6 (zes) maandenna aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. M.J.A. Duker en mr. P.J. van Eekeren, in tegenwoordigheid van
mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
11 maart 2025.
Mr. C.J. van der Wilt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]