ECLI:NL:GHAMS:2025:645
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep wegens berusting in vonnis eerste aanleg
In deze strafzaak is het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2024. De verdachte werd vertegenwoordigd door mr. F.W.D. Siccama, die namens hem het hoger beroep richtte tegen de bewezenverklaring, de kwalificatie van het eerste feit en de opgelegde straf.
Tijdens de procedure heeft de raadsman van de verdachte op 11 februari 2025 per e-mail aan het hof laten weten dat de verdachte bij nader inzien berust in het vonnis van de rechtbank en verzocht om niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep. De advocaat-generaal stemde hiermee in en bevestigde dit standpunt ter terechtzitting.
Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij voortzetting van het hoger beroep en verklaart hem daarom niet-ontvankelijk op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het arrest is uitgesproken op 13 februari 2025 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens berusting in het vonnis van de rechtbank.