Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:436

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2025
Publicatiedatum
19 februari 2025
Zaaknummer
23-000818-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 33 SrArt. 33a SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling invoer ruim 10 kg cocaïne met strafmatiging

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 april 2024 bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf die werd gematigd. De verdachte werd veroordeeld voor het invoeren van ruim 10 kilogram cocaïne op luchthaven Schiphol, een feit dat het hof als ernstig beoordeelt vanwege de volksgezondheidsschade en de bijdrage aan internationale drugshandel.

Het hof heeft de bewijsmiddelen aangevuld met een weging van de koffer met cocaïne en een verklaring van de verdachte over het ophalen van de koffer in Guayaquil. De advocaat-generaal had een gevangenisstraf van 44 maanden gevorderd, terwijl de raadsman pleitte voor maximaal 36 maanden, mede vanwege persoonlijke omstandigheden waaronder een strafrechtelijk onderzoek in Israël en de rol van de partner van de verdachte.

Uiteindelijk heeft het hof, gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden, de straf gematigd tot 36 maanden gevangenisstraf. Daarnaast is een Apple Airtag, gebruikt om de locatie van de koffer te traceren, verbeurd verklaard. De straf zal volledig in een penitentiaire inrichting worden uitgevoerd, met aftrek van voorarrest. Het arrest is uitgesproken op 19 februari 2025 door de meervoudige strafkamer van het hof.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf met verbeurdverklaring van een Apple Airtag.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000828-24
datum uitspraak: 19 februari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 april 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-024381-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 2004,
thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
5 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en haar raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straffen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmiddelen zal aanvullen.

Aanvulling van bewijsmiddelen

Het hof vult de bewijsmiddelen, die in de bijlage bij het vonnis zijn opgenomen, als volgt aan.
Het hof voegt na de tweede alinea van het derde bewijsmiddel, te weten het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 23 januari 2024, doorgenummerde pagina’s 80-88, de volgende passage toe: “Nadat alle inhoud uit desbetreffende koffer was verwijderd hebben wij de koffer gewogen en zagen op het display van de weegschaal het volgende bruto gewicht staan: 16300 gram”.
Voorts voegt het hof als aanvullend bewijsmiddel toe de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2025, inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: “[naam] vroeg mij om iets voor hem op te halen in Guayaquil in Zuid-Amerika. Hij zei dat ik een koffer moest ophalen. De koffer is in Guayaquil naar mij gebracht, kort voordat ik naar Amsterdam zou vliegen”.
Oplegging van straffen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden en heeft het inbeslaggenomen voorwerp (een Apple Airtag) verbeurd verklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden en dat het inbeslaggenomen voorwerp verbeurd wordt verklaard.
De raadsman heeft, met verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en straffen die in andere Opiumwetzaken worden opgelegd, verzocht om de verdachte een gevangenisstraf van ten hoogste 36 maanden op te leggen. Daartoe is ten eerste aangevoerd dat de verdachte door haar partner, met wie ze in een soort
loverboy-constructie zat, werd gebruikt om onderhavig feit te plegen. Ten tweede is aangevoerd dat in andere strafzaken, waarin procesafspraken zijn gemaakt, voor grotere hoeveelheden harddrugs lagere straffen zijn opgelegd. Ten derde is aangevoerd dat in Israël een strafrechtelijk onderzoek is gestart tegen onder meer de verdachte, waardoor haar ook aldaar een straf boven het hoofd hangt. Ten vierde heeft de raadsman gewezen op de regeling van strafonderbreking (op basis van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting) die bij buitenlandse veroordeelden kan worden toegepast.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het invoeren van ruim tien kilogram cocaïne op luchthaven Schiphol. Cocaïne is een voor de volksgezondheid schadelijke stof. Een dergelijke grote hoeveelheid cocaïne moet bedoeld zijn geweest voor verdere verspreiding en verhandeling. Met haar handelen heeft de verdachte aldus een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel, die gepaard gaat met vele andere vormen van (niet zelden gewelddadige) criminaliteit. Dergelijke feiten kunnen naar het oordeel van het hof niet anders worden afgedaan dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Het hof heeft bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf gelet op de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en die hun weerslag vinden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarin wordt voor de invoer van 10.000 tot 20.000 gram harddrugs een gevangenisstraf van 48 tot 60 maanden genoemd. Gelet hierop acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf in beginsel passend.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof aanleiding om in het voordeel van de verdachte van genoemde bandbreedte af te wijken. Op basis van de door de raadsman overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte – die de Israëlische nationaliteit heeft – door de Israëlische autoriteiten als verdachte is aangemerkt in een strafrechtelijk onderzoek dat (mede) ziet op het onderhavige transport van cocaïne. De verdachte zal door de Israëlische autoriteiten alvast in Nederland als verdachte gehoord worden en aan de hand van de overgelegde stukken acht het hof het aannemelijk dat in Israël een strafrechtelijk vervolg zal komen op de onderhavige zaak. Hierin ziet het hof aanleiding om de op te leggen straf aanzienlijk te matigen. In de overige door de raadsman aangevoerde omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om de straf (verder) te matigen.
Op te leggen gevangenisstraf
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Op te leggen bijkomende straf
Onder de verdachte is een voorwerp in beslag genomen en nog niet teruggegeven, te weten een zogenoemde Apple Airtag (op de lijst van inbeslaggenomen goederen “Niet te definiëren goederen (Omschrijving: PL2700-24-007337-14, wit, merk: Apple)” genoemd), die in de koffer met cocaïne is aangetroffen en aan de verdachte toebehoort.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen voorwerp verbeurd wordt verklaard.
Het hof overweegt dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dit voorwerp is begaan of voorbereid, nu met behulp van de Airtag de locatie van de koffer met daarin cocaïne kon worden getraceerd. Het voorwerp zal daarom verbeurd worden verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in
artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Niet te definiëren goederen (Omschrijving: PL2700-24-007337-14, wit, merk: Apple).
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. A.M. Kengen en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
19 februari 2025.
=========================================================================
[…]