ECLI:NL:GHAMS:2025:3637

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
200.360.213/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake ontruiming van gehuurde woning door verhuurder

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 28 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een ontruimingskwestie. De appellant, vertegenwoordigd door mr. S.N. Peijnenburg, was in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, waarin hij was veroordeeld tot ontruiming van een door hem gehuurde woning. De kantonrechter had in zijn vonnis van 3 oktober 2025 geoordeeld dat de verhuurder, [geïntimeerde] V.O.F., bevoegd was om de huurovereenkomst te ontbinden en de ontruiming te vorderen. De appellant had zeven grieven ingediend en verzocht om het vonnis te vernietigen, terwijl de geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. G.J.I.M. Seelen, het vonnis wilde laten bekrachtigen.

Tijdens de mondelinge behandeling op 28 oktober 2025 hebben beide partijen hun standpunten toegelicht. Het hof heeft de feiten uit het bestreden vonnis als uitgangspunt genomen en is tot de conclusie gekomen dat de bevoegdheid van de verhuurder tot ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd was. Het hof heeft de belangen van beide partijen gewogen en vastgesteld dat de belangen van de huurder niet onevenredig werden aangetast door de ontruiming. Het hof heeft geoordeeld dat de grieven van de appellant niet opgingen en heeft het bestreden vonnis bekrachtigd. De appellant is veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die zijn begroot op € 827,00 aan verschotten en € 2.428,00 aan salaris voor de advocaat van de geïntimeerde. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1
zaaknummer : 200.360.213/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 11893217 \ VV EXPL 25-82
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 oktober 2025
inzake

[appellant] ,

wonende te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. S.N. Peijnenburg te Purmerend,
tegen

[geïntimeerde] V.O.F.,

gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. G.J.I.M. Seelen te Voorhout.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
Tegenwoordig zijn:
mr. J.C. Toorman - voorzitter
mr. E.J. Bellaart - raadsheer
mr. I. de Greef - raadsheer
mr. M.E. van den Noort - griffier
Verschenen zijn:
aan de zijde van appellant:
- De heer [appellant] , bijgestaan door mr. Peijnenburg voornoemd,
aan de zijde van geïntimeerde:
- De heer [naam 1] en de heer [naam 2] , bijgestaan door mr. Seelen voornoemd.
Bij vonnis van 3 oktober 2025 (hierna: het bestreden vonnis), onder bovenvermeld zaak nummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde, heeft de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het door hem van [geïntimeerde] gehuurde en [appellant] veroordeeld in de kosten van het geding.
[appellant] is bij appeldagvaarding van 13 oktober 2025 in hoger beroep gekomen tegen dit vonnis. De memorie van grieven van 13 oktober 2025 bevat zeven grieven en één productie.
Op 21 oktober 2025 heeft [geïntimeerde] een memorie van antwoord genomen, met producties.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen. [appellant] heeft subsidiair gevorderd om het bestreden vonnis te bekrachtigen en de ontruimingstermijn te verlengen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, de datum voor ontruiming zal bepalen op uiterlijk maandag 3 november 2025 om 09:00 althans op een door het hof te bepalen termijn, [appellant] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep inclusief nakosten en rente en het arrest uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren.
Tijdens de mondelinge behandeling op 28 oktober 2025 hebben mr. Peijnenburg en mr. Seelen voornoemd het woord gevoerd. Mr. Peijnenburg heeft dit gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zij heeft overgelegd. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het hof beantwoord.
Van het verhandelde op de zitting zijn zittingsaantekeningen gemaakt, die zo nodig in een apart proces-verbaal schriftelijk worden uitgewerkt.
Na een schorsing en hervatting van de zitting heeft het hof mondeling uitspraak gedaan, die in dit proces-verbaal schriftelijk wordt weergegeven.

Beoordeling

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die blijken uit het bestreden vonnis.
2. Het spoedeisend belang ligt besloten in de aard van de zaak.
3. Het hof is het eens met de beslissing van de kantonrechter en maakt die beslissing en de motivering daarvan tot de zijne. Het hof licht dit als volgt verder toe.
4. Het hof acht [geïntimeerde] bevoegd op de gronden die door de kantonrechter zijn benoemd.
5. Ook voor het hof is de bevoegdheid tot ontbinding in beginsel gegeven met het besluit van de burgemeester van 3 april 2025.
6. Het hof zal vervolgens toetsen of gebruikmaking van de ontbindingsbevoegdheid door [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW) of misbruik van bevoegdheid oplevert (artikel 3:13 BW). Het hof dient daarnaast de proportionaliteit te toetsen, door de vraag te beantwoorden of, gegeven de belangen van de verhuurder bij de buitengerechtelijke ontbinding en de gevorderde ontruiming, de belangen van de huurder bij voortgezette bewoning niet onevenredig worden aangetast (artikel 8 EVRM). Met het oog daarop heeft het hof de aangevoerde belangen gewogen.
7. In dit kader acht het hof voorshands onvoldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] een toezegging heeft gedaan die aan ontbinding en ontruiming in de weg staat. In het tussen [appellant] en [naam 2] van 23 april 2025 gevoerde gesprek ligt een toezegging onvoldoende duidelijk besloten. De stelling dat de toezegging in een eerder gesprek is gedaan, is onvoldoende toegelicht, nu niets over de datum en de exacte inhoud van dat gesprek is gesteld. Ook blijft onduidelijk waaruit [appellant] mocht afleiden dat [naam 2] tot een dergelijke toezegging, als die al zou zijn gedaan, bevoegd was.
8. Voor zover [appellant] zich heeft willen beroepen op een nieuwe overeenkomst, stuit dat reeds af op het hiervoor overwogene.
9. Dit leidt tot de conclusie dat [geïntimeerde] van haar ontbindingsbevoegdheid gebruik heeft mogen maken.
10. Gelet op een en ander zal [geïntimeerde] het gehuurde mogen ontruimen. De grieven stuiten af op het bovenstaande.

Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 827,00 aan verschotten en € 2.428,00 aan salaris;
verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat conform art. 29a Rv is ondertekend door de voorzitter.
--------------------
voorzitter