ECLI:NL:GHAMS:2025:3483

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
200.329.105/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ILB tegen Lotus Mobile en Lotus Groep over vorderingen en betalingsgeschillen

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van I LOVE BALKAN B.V. (ILB) tegen Lotus Mobile en de Lotus Groep. ILB had in eerste aanleg vorderingen ingesteld die grotendeels waren afgewezen. In hoger beroep handhaaft ILB nog twee vorderingen, te weten betaling van een factuur voor geleverde medische schorten en terugbetaling van een bedrag voor ondeugdelijke bedden. De geïntimeerde, die zonder advocaat verscheen, voerde aan dat hij contante betalingen had gedaan, maar het hof oordeelt dat hij deze betalingen niet voldoende heeft aangetoond. Het hof vernietigt het eerdere vonnis voor de vorderingen die ILB in hoger beroep heeft ingesteld en wijst deze vorderingen toe. Het hof oordeelt dat ILB recht heeft op betaling van € 26.160,- voor de medische schorten en € 13.080,- voor de ondeugdelijke bedden, plus de wettelijke rente. Daarnaast worden de beslagkosten aan ILB vergoed. De kosten van het geding in hoger beroep worden toegewezen aan ILB, terwijl de afwijzing van de overige vorderingen in stand blijft.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.329.105/01
rol-/zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/325647/HA ZA 22-140
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
in de zaak van
I LOVE BALKAN B.V.,
gevestigd te Deventer,
appellante,
advocaat: mr. J.L.W. Nillesen te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] h.o.d.n. LOTUS MOBILE en DE LOTUS GROEP/LOTUS DISTRIBUTORS,
wonende en kantoorhoudende te [woonplaats 1] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.M.E. van Veen-Oudenaarden te ’s-Gravenhage (onttrokken).
Partijen worden hierna ILB en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Van al haar in eerste aanleg afgewezen vorderingen handhaaft ILB er in hoger beroep nog twee. [geïntimeerde] voert als verweer tegen deze vorderingen onder meer aan dat hij een tweetal grote contante betalingen aan ILB heeft gedaan waarmee hij een van de beide vorderingen heeft voldaan, en dat de andere betaling onverschuldigd door hem is gedaan zodat hij een beroep op verrekening kan doen met eventuele vorderingen van ILB op hem. Het hof wijst de vorderingen (grotendeels) toe.

2.Het geding in hoger beroep

ILB is bij dagvaarding van 31 mei 2023, vervolgens hersteld bij herstelexploot van 20 juni 2023, in hoger beroep gekomen van een vonnis van 1 maart 2023 van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, onder bovenvermeld rol- en zaaknummer gewezen tussen ILB als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven. Aan de dagvaarding zijn producties gehecht.
[geïntimeerde] heeft daarna een memorie van antwoord ingediend.
Na de memorie van antwoord heeft de advocaat van [geïntimeerde] zich op 30 januari 2024 onttrokken. Op 15 februari 2024 is door de griffie van het hof telefonisch aan [geïntimeerde] medegedeeld dat hij ruim vóór de mondelinge behandeling een advocaat moet zoeken, en bovendien is daarna aan hem tweemaal een ruime termijn gegeven voor het stellen van een procesvertegenwoordiger. Nadat zich niemand voor hem had gesteld is op 17 september 2024 de datum voor mondelinge behandeling bepaald op 11 november 2024. Op 7 november 2024 heeft [geïntimeerde] per e-mail aan de griffie van het hof laten weten geen nieuwe advocaat te kunnen vinden en heeft hij verzocht om een maand uitstel voor de mondelinge behandeling. Omdat [geïntimeerde] voor dat uitstel geen klemmende redenen heeft aangevoerd, heeft het hof hem daarop per e-mail van 8 november 2021 laten weten dat de mondelinge behandeling op 11 november 2024 doorgang zal vinden, dat hij het recht heeft maar niet verplicht is om daar te verschijnen en – als hij zonder advocaat verschijnt – het recht heeft om daar eventuele vragen van het hof te beantwoorden; en dat de zaak alsnog zal worden aangehouden als de zitting daartoe aanleiding geeft. [geïntimeerde] heeft vervolgens per e-mail van (zondag) 10 november 2011 aan het hof bericht dat hij verhinderd was ter zitting te verschijnen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 11 november 2024 is namens [geïntimeerde] niemand verschenen en heeft ILB haar standpunt laten toelichten door mr. Nillesen voornoemd, aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
ILB heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog [geïntimeerde] zal veroordelen om:
een bedrag van € 26.160,- te betalen;
primair: een bedrag van € 13.080,- te betalen; of
subsidiair: voor recht te verklaren dat de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en Terborgh B.V. inzake de gekochte bedden is ontbonden dan wel deze alsnog te ontbinden en [geïntimeerde] te veroordelen om een bedrag van € 13.080,- te betalen;
de wettelijke handelsrente over beide bedragen te betalen;
de beslagkosten te betalen,
met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof ILB niet-ontvankelijk zal verklaren in haar appel, althans haar appel ongegrond zal verklaren, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van ILB in de kosten van het geding in hoger beroep.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.12 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.
3.1.
ILB is een groothandel, gericht op het aankopen, verkopen, de opslag en distributie van buitenlandse producten.
3.2.
[geïntimeerde] exploiteert in Nederland onder de handelsnaam Lotus Mobile een detailhandel in consumentengoederen. In Suriname houdt [geïntimeerde] zich onder de handelsnaam Lotus Group / Lotus Distributors bezig met de import van consumptiegoederen.
3.3.
In juni 2021 hebben partijen besloten te gaan samenwerken. De bedoeling was dat [geïntimeerde] in Suriname grote hoeveelheden van door ILB in Kroatië aangekochte zonnebloemolie zou gaan verkopen.
3.4.
De aan ILB gelieerde onderneming Exploitatie Maatschappij Terborgh B.V. (hierna: Terborgh) heeft samen met [geïntimeerde] een festival te Zuid-Limburg georganiseerd. ILB heeft de drankvoorziening voor haar rekening genomen. Bij een boeking voor het festival hoorde ook een overnachting. [geïntimeerde] heeft de daarvoor benodigde gastenbedden aan Terborgh geleverd. Lotus Group / Mobile heeft aan Terborgh hiervoor een factuur gestuurd van € 13.080,00, en Terborgh heeft deze factuur ook betaald.
3.5.
ILB heeft op 5 september 2021 een bedrag van € 20.000,00 aan Mobile Group overgemaakt, met als omschrijving ‘Participatie festival 50/50 Red Beryl’.
3.6.
[geïntimeerde] heeft ook een partij maandverband en medische schorten bij ILB besteld. Verder heeft ILB vanaf augustus en september 2021 diverse andere offertes aan [geïntimeerde] uitgebracht.
3.7.
Partijen hebben getracht de samenwerking te formaliseren in de gezamenlijk op te richten vennootschap onder firma Lotus Group World Wide. De opgestelde oprichtingsakte hebben partijen niet ondertekend omdat deze op een ondergeschikt punt nog moest worden aangepast. De vennootschap is wel ingeschreven in het handelsregister, met ILB en [geïntimeerde] als de vennoten.
3.8.
[geïntimeerde] heeft ILB in september 2021 een schriftelijke verklaring op naam van de directeur van het kabinet van de President van de republiek Suriname, gedateerd 8 september 2021 gestuurd, waarin de directeur zich garant stelt voor de afname van 250.000 liter zonnebloemolie.
3.9.
ILB werd later duidelijk dat de schriftelijke garantstelling niet door de directeur van het kabinet van de President was afgegeven. ILB heeft haar inschrijving als vennoot van Lotus Group World Wide per 25 oktober 2021 ongedaan laten maken.
3.10.
Tijdens de samenwerking heeft ILB onder meer de volgende facturen aan [geïntimeerde] gestuurd:
8 augustus 2021 (nr. 1002) 30x1.600 medische schorten € 24.000,00
14 augustus 2021 (nr. 1005) 18.000 liter zonnebloemolie € 12.960,00
14 augustus 2021 (nr. 1006) 4x896 DHV Jasmin Organic € - 5.734,40
14 augustus 2021 (nr. 1007) creditnota € - 12.960,00
16 augustus 2021 (nr. 1008) 4x896 DHV Jasmin Organic € 5.734,40
16 augustus 2021 (nr. 1009) 18.000 liter zonnebloemolie € 12.960,00
16 september 2021 (nr. 1016) diverse alcoholische dranken € 11.121,43
28 september 2021 (nr. 1030) 30x1.600 medische schorten € 183.120,00
28 september 2021 (nr. 1031) 100.000 mondmaskers FFP2 € 109.000,00
30 september 2021 (nr. 1019) 90.000 liter zonnebloemolie € 126.900,00
30 september 2021 (nr. 1020) 272.250 liter zonnebloemolie € 383.872,50
30 september 2021 (nr. 1022) 4x896 DHV Jasmin Organic € - 5.734,40
30 september 2021 (nr. 1024) creditnota € - 11.121,43
3.11.
ILB heeft op 14 januari 2022 conservatoir beslag laten leggen op het woonhuis van [geïntimeerde] als zekerheid voor verhaal van een vordering van € 965.455,61 (inclusief rente en kosten).
3.12.
Bij akte van cessie van 17 januari 2023 heeft Terborgh een vordering op [geïntimeerde] van € 13.080,00 aan ILB overgedragen.

4.Eerste aanleg

4.1.
ILB heeft in eerste aanleg, samengevat en voor zover nog relevant in hoger beroep, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
(…);
(…;
de in augustus 2021, althans in 2021, gesloten overeenkomst tussen Terborgh en [geïntimeerde] , tot levering door [geïntimeerde] van bedden en bijbehorend slaaptextiel op grond van dwaling te vernietigen, althans deze overeenkomst op grond van wanprestatie te ontbinden, althans ontbonden te verklaren;
[geïntimeerde] na de vernietiging of ontbinding te veroordelen tot betaling aan ILB van € 13.080,00, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
(…);
(…);
[geïntimeerde] te veroordelen om € 292.000,00 aan ILB te betalen voor geleverde medische hulpmiddelen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente;
(…);
I. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten van beslaglegging.
4.2.
De rechtbank heeft alle vorderingen van ILB – die in hoofdsom totaal bijna € 1 miljoen betroffen – afgewezen.

5.Beoordeling

5.1.
In hoger beroep gaat het ILB uitsluitend nog om twee van haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen.
-
In de eerste plaats vordert ILB in hoger beroep nog betaling van haar factuur van 8 augustus 2021 van € 26.160,- (incl. btw) voor 48.000 aan [geïntimeerde] geleverde medische schorten. De factuur ziet op 25% van de overeengekomen koopprijs en is onderdeel van haar vordering in eerste aanleg betreffende de levering van medische hulpmiddelen (zie 4.1, de vordering onder G).
- In de tweede plaats vordert ILB in hoger beroep nog (terug)betaling van een bedrag van € 13.080,- (incl. btw) voor de door [geïntimeerde] aan Terborgh verkochte ondeugdelijke bedden en bijbehorend slaaptextiel (zie 4.1, de vorderingen onder C en D).
5.2.
Tegen de afwijzing van deze beide vorderingen heeft ILB in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Daarbij is de derde grief voorwaardelijk ingesteld, voor het geval de tweede grief faalt.
De vordering betreffende de levering van medische schorten
5.3.
In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat ILB voor aan hem geleverde medische schorten aan [geïntimeerde] de factuur van 8 augustus 2021 heeft doen toekomen en dat [geïntimeerde] het daarop vermelde factuurbedrag van € 26.160 (incl btw) aan ILB dient te voldoen. Het geschil is dat [geïntimeerde] stelt dat hij aan deze betalingsverplichting heeft voldaan en ILB niets meer van hem te vorderen heeft doordat hij op 8 augustus 2021 aan ILB in de persoon van [naam 1] (hierna: [naam 1] ), indirect bestuurder van ILB, een bedrag van € 24.000,- in contanten heeft betaald, maar dat [naam 1] en/of ILB betwisten dat die betaling heeft plaatsgevonden.
5.4.
Nu hij zich erop beroept dat zijn betalingsverplichtingen jegens ILB teniet zijn gegaan doordat hij al heeft betaald, maar ILB dit betwist, volgt uit artikel 150 Rv dat [geïntimeerde] zijn stelling dat hij de factuur al heeft betaald (voldoende) moet toelichten en zo nodig bewijzen.
5.5.
[geïntimeerde] heeft daartoe gesteld dat ILB de factuur op 8 augustus 2021 aan hem heeft gestuurd en dat hij met het oog op betaling daarvan op 6 augustus 2021 bij twee relaties van hem respectievelijk € 10.000 en € 14.000 heeft geleend waarvan hij de overeenkomsten ook heeft overgelegd. De factuur voor de schorten stelt hij vervolgens op 8 augustus 2021 te Schinnen contant te hebben betaald aan [naam 1] , waarbij verder niemand anders aanwezig was. Hij beroept zich voorts nog op een WhatsApp bericht van [naam 1] met de tekst “geen zorgen bij onze [geïntimeerde] ” waarmee volgens [geïntimeerde] werd bedoeld dat [naam 1] het geld had ontvangen. Verder heeft [geïntimeerde] aangeboden om de heer [naam 2] als getuige te doen horen, omdat die zou kunnen verklaren over wat destijds de gebruikelijke handelspraktijken tussen partijen waren.
5.6.
Het hof overweegt als volgt. Ook als juist zou zijn dat [geïntimeerde] op 6 augustus 2021 in totaal een bedrag van € 24.000,- heeft geleend om de schorten te kunnen betalen, volgt daaruit niet dat hij dat bedrag vervolgens op 8 augustus 2021 te Schinnen ook daadwerkelijk aan [naam 1] voor die schorten heeft betaald. Overigens valt op dat beide leningsovereenkomsten waarop [geïntimeerde] zich beroept zouden zijn getekend op 6 augustus 2021, maar de ene in Utrecht en de andere in Paramaribo. De door [geïntimeerde] gestelde betaling van € 24.000,- voor de schorten komt bovendien niet overeen met het factuurbedrag van € 26.160,-. Het Whatsapp-bericht van [naam 1] waarop [geïntimeerde] zich nog beroept, gelezen in context, lijkt betrekking te hebben op de vermelding van btw op de factuur voor de schorten (terwijl die bedoeld waren voor export naar Suriname); het hof leest in dat bericht niet een (al dan niet impliciete) bevestiging door [naam 1] van de ontvangst van enige betaling. Met dit alles heeft [geïntimeerde] dan ook niet aangetoond dat hij de factuur voor de schorten heeft betaald.
5.7.
Het hof passeert het bewijsaanbod van [geïntimeerde] om de heer [naam 2] als getuige te horen. Dit bewijsaanbod ziet immers niet op de betwiste betaling zelf en is daarmee onvoldoende concreet. En dat de heer [naam 2] zou kunnen verklaren over de wijze waarop partijen gebruikelijk zaken met elkaar deden, is niet ter zake doende. Op de inhoudelijke standpunten in de e-mail van 20 november 2024 van [geïntimeerde] aan het hof kan het hof formeel geen acht slaan. Terzijde merkt het hof echter op dat de mededeling dat bij de betaling op 8 augustus 2021 ook nog een derde persoon aanwezig was, zich niet verdraagt met zijn eerdere standpunt (memorie van antwoord, randnummer 13) dat niemand anders daarbij aanwezig was.
5.8.
Uit het vorenstaande volgt dat grief 1 slaagt. In het kader van de devolutieve werking dient het hof dan nog in te gaan op het verweer van [geïntimeerde] dat hem een beroep op verrekening toekomt. De rechtbank is aan bespreking van dat verweer niet toegekomen. [geïntimeerde] heeft in het kader van dat verweer gesteld dat hij op 8 augustus 2021 aan [naam 3] , voormalig bestuurder van ILB (hierna: [naam 3] ) op diens huisadres in [woonplaats 2] en in bijzijn van diens partner, een bedrag van € 18.700,- contant heeft betaald voor zonnebloemolie en maandverband die ILB echter nooit heeft geleverd, zodat hij recht heeft op terugbetaling daarvan en dit bedrag kan verrekenen met de eventuele vordering(en) van ILB op hem.
5.9.
In haar memorie van grieven heeft ILB hierop gereageerd met de stellingen dat [geïntimeerde] in [woonplaats 2] aan [naam 3] en in bijzijn van diens partner [naam 4] en een derde die echter niets van de betalingen heeft meegekregen, niet op 8 maart 2021 maar op 14 maart 2021 een contant bedrag van € 600,- heeft betaald als deelbetaling voor maandverband dat ook geleverd is; maar dat [geïntimeerde] afgezien van dit bedrag van € 600,- verder geen contante betalingen aan ILB heeft gedaan. ILB heeft verklaringen bijgevoegd van zowel [naam 3] als diens partner [naam 4] waarin zij deze contante betaling van € 600,- ( [naam 3] ) althans minder dan € 1.000 ( [naam 4] ) bevestigen. In zijn memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] hier vervolgens op geen enkele manier meer op gereageerd, anders dan dat aan die bijgevoegde verklaringen geen geloof moet worden gehecht. Een nadere reactie had wel op zijn weg gelegen, omdat ook voor deze door hem gestelde contante betaling hij de stelplicht en bewijslast heeft. Het hof komt daarom tot het oordeel dat [geïntimeerde] , in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door ILB, niet heeft aangetoond dat hij een contant bedrag van € 18.700,- aan ILB heeft betaald en op grond waarvan hij op ILB een (eenvoudig vast te stellen en liquide te maken) vordering heeft tot (terug)betaling van dat bedrag. Daarmee valt de basis weg waarop zijn beroep op verrekening is gebaseerd.
5.10.Een en ander leidt ertoe dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover daarin de vordering bedoeld in 4.1 onder G algeheel is afgewezen, en zal deze vordering toewijzen tot een bedrag van € 26.160 (incl btw).
Omdat [geïntimeerde] daartegen verder geen zelfstandige bezwaren heeft aangevoerd, zal het hof de over dit bedrag door ILB gevorderde handelsrente toewijzen, zoals gevorderd vanaf 28 januari 2022 (de dag van dagvaarding in eerste aanleg).
De vordering tot terugbetaling wegens ondeugdelijke levering van bedden en slaaptextiel
5.11.
ILB stelt over deze vordering het volgende. [geïntimeerde] zou aan Terborgh bedden en slaaptextiel leveren, maar na een eerste deellevering concludeerde Terborgh dat deze ondeugdelijk waren. [geïntimeerde] is er daarna mee akkoord gegaan dat hij de geleverde bedden zou terugnemen - wat hij ook heeft gedaan -, het restant niet meer zou leveren en het door Terborgh betaalde bedrag van € 13.080,- volledig zou terugbetalen. Terborgh heeft haar vordering tot terugbetaling van € 13.080,- vervolgens aan ILB gecedeerd, aldus steeds ILB.
5.12.
[geïntimeerde] heeft betwist dat sprake was van een deellevering, dat de bedden ondeugdelijk waren, dat de bedden en het beddengoed daadwerkelijk zijn opgehaald, en dat hij zou hebben verklaard dat hij bereid was tot terugbetaling. Van een feitelijke ontbinding van de koopovereenkomst is volgens hem geen sprake.
5.13.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat ILB niet gerechtigd was vernietiging of ontbinding te vorderen van de koopovereenkomst tussen Terborgh en [geïntimeerde] , omdat de cessie tussen Terborgh en ILB niet op een dergelijke vordering betrekking heeft. Het hof begrijpt dat de rechtbank daarmee tevens heeft bedoeld te oordelen dat ook ILB’s vordering tot (terug)betaling van € 13.080,- niet toewijsbaar was. Tegen dit een en ander is grief II gericht.
5.14.
In hoger beroep heeft ILB een aantal WhatsApp-berichten overgelegd. Uit die berichten tussen [naam 1] en [geïntimeerde] blijkt onmiskenbaar dat partijen het eens waren dat [geïntimeerde] de matrassen zou terugnemen en dat [geïntimeerde] met betrekking tot de geleverde bedden een creditnota voor Terborgh zou opstellen. Dat partijen het daarover eens waren, maakt de vraag naar vernietiging of ontbinding van de koopovereenkomst tussen Terborgh en [geïntimeerde] niet meer opportuun; die vraag is immers ingehaald door wat partijen blijkens hun WhatsApp-berichten nader zijn overeengekomen. Op die nadere afspraken sluit bovendien aan dat in de considerans van zowel de koopovereenkomst als akte van cessie waarmee Terborgh haar vordering op [geïntimeerde] heeft verkocht en geleverd aan ILB, duidelijk is vermeld dat de verkochte en geleverde vordering van € 13.080,- betrekking heeft op bedden en toebehoren die door [geïntimeerde] vanwege ondeugdelijkheid waren teruggenomen. De cessie waarop ILB zich beroept betreft dus daadwerkelijk de vordering die ILB in deze procedure geldend wil maken.
5.15.
Uit dit alles volgt dat ILB uit hoofde van de cessie gerechtigd is om van [geïntimeerde] (terug)betaling van € 13.080,- te vorderen wegens ondeugdelijkheid van aan Terborgh geleverde bedden en slaaptextiel. Het verweer van [geïntimeerde] tegen deze vordering dat hij niet heeft ingestemd met terugbetaling van dat bedrag aan Terborgh stuit af op de inhoud van de WhatsApp-berichten, meer in het bijzonder zijn herhaalde bevestiging in die berichten dat hij Terborgh zou crediteren.
5.16.
Daarnaast blijkt uit de WhatsApp-berichten duidelijk dat [geïntimeerde] de matrassen zou moeten terugnemen en dat Terborgh daarbij zelfs hulp heeft aangeboden. Als [geïntimeerde] vervolgens heeft nagelaten dit te doen, komt dat voor zijn eigen rekening en betekent dit niet dat hij het afgesproken bedrag niet hoeft terug te betalen. Ook dat verweer faalt dus.
5.17.
De conclusie is dat ook grief II slaagt. Het hof zal daarom het bestreden vonnis ook vernietigen voor zover daarin de vordering bedoeld in 4.1 onder D is afgewezen, en zal de gevorderde betaling van € 13.080,- toewijzen.
Het gevorderde bedrag is gebaseerd op een onderlinge afspraak tussen partijen, met als kennelijke onderliggende grondslag dat dit bedrag, na het terugdraaien van de eerdere bestelling van bedden en slaaptextiel, onverschuldigd door Terborgh aan [geïntimeerde] was betaald. Op een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling is artikel 6:119a BW niet van toepassing. Het hof zal daarom over het door ILB gevorderde bedrag van € 13.080,- niet de gevorderde wettelijke handelsrente maar de gewone wettelijke rente toewijzen, zoals gevorderd te rekenen vanaf 28 januari 2022 (de dag van dagvaarding in eerste aanleg).
5.18.
Omdat grief II slaagt, komt het hof niet toe aan bespreking van (de voorwaardelijk ingestelde) grief III.
De vordering tot vergoeding van beslagkosten
5.19.
ILB heeft onder [geïntimeerde] beslag gelegd tot zekerheid van haar vorderingen die zij in haar verzoekschrift tot beslaglegging nog begrootte op € 965.455,61.
Nu in hoger beroep wordt beslist dat ILB terecht vorderingen tegen [geïntimeerde] heeft ingesteld, komen de beslagkosten in beginsel in aanmerking voor vergoeding. ILB heeft haar vordering terzake in hoger beroep beperkt en de gevorderde beslagkosten berekend op basis van de in hoger beroep gehandhaafde – en hiervoor toewijsbaar geachte – geldvorderingen. Het hof zal de kosten aldus vaststellen met dien verstande dat alleen voor wat betreft het griffierecht iets zal worden afgeweken van het gevorderde bedrag.
- deurwaarderskosten € 276,58 + € 76,64 = € 353,22
- griffierecht beslagrekest € 676,-
- salaris advocaat € 786,- (tarief III, 1 punt)
Totaal € 1.815,22
Slotsom
5.20.
De grieven slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover in het dictum onder 5.1 van dat vonnis, de vorderingen bedoeld in dit arrest onder 4.1 onder D en G, algeheel zijn afgewezen, en ook de door ILB onder 4.1 onder I gevorderde beslagkosten algeheel zijn afgewezen. Omdat de vorderingen van ILB in eerste aanleg zijn afgewezen en die afwijzing voor het overgrote deel in stand blijft omdat het hoger beroep daar niet tegen is gericht, ziet het hof geen aanleiding om [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg, en zal het bestreden vonnis in zoverre worden bekrachtigd.
Nu ILB in het hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof zal deze kosten berekenen op basis van het bedrag dat in hoger beroep nog in geschil was. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- explootkosten € 107,32
- griffierecht € 2.135,-
- salaris advocaat € 3.142,- (tarief III, 2 punten)
Totaal € 5.384,32

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt het bestreden vonnis voor zover onder 5.1 in het dictum daarvan de vorderingen bedoeld in dit arrest onder 4.1 onder D, G en I algeheel zijn afgewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
6.2.
veroordeelt [geïntimeerde] om aan ILB te betalen een bedrag van € 26.160,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover, te rekenen vanaf 28 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
6.3.
veroordeelt [geïntimeerde] om aan ILB te betalen een bedrag van € 13.080,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf 28 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
6.4.
veroordeelt [geïntimeerde] om aan ILB te betalen een bedrag van € 1.815,22 aan kosten voor beslaglegging;
6.5.
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
6.6.
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 5.384,32 en op € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
6.7.
verklaart de veroordelingen onder 6.2, 6.3, 6.4 en 6.6 uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van den Berg, M.M.M. Tillema en E.M. de Stigter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.