Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
In de eerste plaats vordert ILB in hoger beroep nog betaling van haar factuur van 8 augustus 2021 van € 26.160,- (incl. btw) voor 48.000 aan [geïntimeerde] geleverde medische schorten. De factuur ziet op 25% van de overeengekomen koopprijs en is onderdeel van haar vordering in eerste aanleg betreffende de levering van medische hulpmiddelen (zie 4.1, de vordering onder G).
Omdat [geïntimeerde] daartegen verder geen zelfstandige bezwaren heeft aangevoerd, zal het hof de over dit bedrag door ILB gevorderde handelsrente toewijzen, zoals gevorderd vanaf 28 januari 2022 (de dag van dagvaarding in eerste aanleg).
Het gevorderde bedrag is gebaseerd op een onderlinge afspraak tussen partijen, met als kennelijke onderliggende grondslag dat dit bedrag, na het terugdraaien van de eerdere bestelling van bedden en slaaptextiel, onverschuldigd door Terborgh aan [geïntimeerde] was betaald. Op een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling is artikel 6:119a BW niet van toepassing. Het hof zal daarom over het door ILB gevorderde bedrag van € 13.080,- niet de gevorderde wettelijke handelsrente maar de gewone wettelijke rente toewijzen, zoals gevorderd te rekenen vanaf 28 januari 2022 (de dag van dagvaarding in eerste aanleg).
Nu in hoger beroep wordt beslist dat ILB terecht vorderingen tegen [geïntimeerde] heeft ingesteld, komen de beslagkosten in beginsel in aanmerking voor vergoeding. ILB heeft haar vordering terzake in hoger beroep beperkt en de gevorderde beslagkosten berekend op basis van de in hoger beroep gehandhaafde – en hiervoor toewijsbaar geachte – geldvorderingen. Het hof zal de kosten aldus vaststellen met dien verstande dat alleen voor wat betreft het griffierecht iets zal worden afgeweken van het gevorderde bedrag.
Nu ILB in het hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof zal deze kosten berekenen op basis van het bedrag dat in hoger beroep nog in geschil was. Het hof stelt deze kosten als volgt vast: