Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
grief 1naar voren gebracht dat de feitenweergave onder 3.4 een onjuistheid bevat. Deze onjuistheid, voor zover die tussen partijen niet ter discussie staat, zal hierna onder g. worden gecorrigeerd. De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn in hoger beroep verder niet in geschil en dienen daarom ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten, zijn de feiten de volgende.
4.De beoordeling
uiterst subsidiairhebben gevorderd een gebod aan [geïntimeerde] om binnen zes maanden na het te wijzen arrest zorg te dragen voor verkrijging van publiekrechtelijke toestemming om het verkochte te bewonen en, zo begrijpt het hof, bij afwijzing door de gemeente van een verzoek daartoe deze toestemming in rechte alsnog af te dwingen op straffe van verbeurte van een dwangsom.