3.De feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 3.1 tot en met 3.16 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellanten] . hebben met
grief 1naar voren gebracht dat de feitenweergave onder 3.4 een onjuistheid bevat. Deze onjuistheid, voor zover die tussen partijen niet ter discussie staat, zal hierna onder g. worden gecorrigeerd. De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn in hoger beroep verder niet in geschil en dienen daarom ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten, zijn de feiten de volgende.
a. [geïntimeerde] is een belegger met een vastgoedportefeuille van meer dan zesduizend objecten in Nederland, Duitsland en België.
b. In 2020 heeft [geïntimeerde] via haar verkoopmakelaar het volgende appartementsrecht te koop aangeboden:
het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning gelegen op de begane grond met berging in de kelder en met tuin, plaatselijk bekend als [straat] [nummer 1] , [postcode] [plaats 1] […] uitmakende het [nummer 2] ( [nummer 2] ) onverdeeld aandeel in de gemeenschap bestaande uit het voortdurend recht van erfpacht van een perceel grond (eigendom van gemeente [plaats 1] ) met de rechten van de erfpachter op de zich op die grond bevindende opstallen, zijnde het woonhuis met [nummer 3] afzonderlijke bovenwoningen (…).
c. In de verkoopinformatie is onder andere opgenomen dat het appartementsrecht een woning betreft.
d. [appellanten] . hebben na een bezichtiging een bod uitgebracht op het appartementsrecht. Op 24 september 2020 heeft [geïntimeerde] het appartementsrecht aan [appellanten] . verkocht voor een koopsom van € 319.000,00 (hierna ook: het verkochte). Ook in de koopovereenkomst komen de woorden ‘woning’ en ‘wonen’ voor.
e. Op 2 november 2020 is het appartementsrecht geleverd aan [appellanten] . In de akte van levering is het appartementsrecht op dezelfde wijze omschreven als in de koopovereenkomst.
f. Onder het tot 29 augustus 2007 voor het appartementsrecht relevante van kracht zijnde bestemmingsplan “Stadsvernieuwingsplan Chassébuurt 1995” was bewoning van het verkochte publiekrechtelijk toegestaan.
g. Per 30 augustus 2007 is ter plekke bestemmingsplan “ [plek] 2006” in werking getreden. De bestemming van het verkochte is daarbij gewijzigd naar “Wonen 4”, waarbij de begane grond, met inbegrip van de kelder alleen is bestemd voor bedrijfsmatig gebruik. De bovengelegen bouwlagen zijn wel bestemd als woning. Van toepassing is de volgende bepaling van overgangsrecht:
Het gebruik van gebouwen en gronden dat bestond op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet en gewijzigd, mits de aard van de afwijking ten opzichte van het in dit plan bepaalde niet wordt vergroot en mits dit gebruik niet reeds met het vorige plan in strijd was.
h. Met het op 16 mei 2018 vastgestelde bestemmingsplan “ [plek] 2018” is de bestemming van het verkochte gewijzigd naar “Gemengd – 3”. Blijkens artikel 6.1 van dit bestemmingsplan is op de begane grond en in de kelder alleen bedrijfsmatig gebruik toegestaan. De bovengelegen verdiepingen zijn wel bestemd als woning. Het overgangsrecht bevat de volgende bepaling:
Artikel 28
1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
(...)
3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
i. Na de levering zijn [appellanten] . het verkochte niet gaan bewonen. Zij hebben een architect ingeschakeld omdat zij de woning eerst wilden laten verbouwen. Het plan was onder andere om de kelder geschikt te maken voor bewoning. Op een gegeven moment heeft de architect [appellanten] . bericht dat op basis van het geldende bestemmingsplan het gebruik van het appartementsrecht als woning niet is toegestaan. De verbouwing heeft niet plaatsgevonden.
j. [appellanten] . hebben het appartementsrecht in april 2021 laten taxeren als kantoorruimte/bedrijfsruimte (commercieel object). Het appartementsrecht is getaxeerd op een waarde van € 143.000,00.
k. Bij brief van 21 juli 2021 is namens [appellanten] . aan [geïntimeerde] medegedeeld dat het appartementsrecht niet beantwoordt aan de koopovereenkomst. [geïntimeerde] is daarbij gesommeerd het gebrek binnen een redelijke termijn te verhelpen danwel de schade van [appellanten] . ten bedrage van het verschil tussen de koopsom en de taxatiewaarde te vergoeden.
l. Bij brief van 5 augustus 2021 heeft de advocaat van [geïntimeerde] als volgt gereageerd, voor zover hier van belang:
Cliënte geeft aan zich niet te kunnen vinden in uw brief. Het pand is al jaren in gebruik als woning en de privaatrechtelijke bestemming van het erfpachtrecht is door de gemeente Amsterdam nog per akte van 2009 gewijzigd naar ‘woning’. Tevens is door de gemeente een splitsingsvergunning verleend voor woningen in het pand waaronder [nummer 1] De stelling dat sprake is van een non-conformiteit met schade tot gevolg, maar ook de taxatie ter onderbouwing van de gestelde schade, worden door cliënte dan ook betwist. De onroerende zaak kan immers bewoond worden.
m. [geïntimeerde] heeft in deze brief aangeboden om op haar kosten een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik van de in het bestemmingsplan aangewezen bestemming aan te vragen. [appellanten] . hebben dat aanbod geaccepteerd en zij hebben [geïntimeerde] daartoe op 17 augustus 2021 gemachtigd.
n. De advocaat van [geïntimeerde] heeft vervolgens op 28 oktober 2021 de aanvraag voor deze omgevingsvergunning ingediend bij de gemeente Amsterdam. Op 21 december 2021 is van de zijde van de gemeente duidelijk gemaakt dat de aanvraag diende te worden aangevuld. De advocaat van [geïntimeerde] heeft daaraan voldaan op 1 februari 2022. Bij besluit van 7 maart 2022 is de omgevingsvergunning geweigerd (hierna: het besluit). Daarbij is overwogen, voor zover hier relevant:
Ten vierde moet er onafgebroken zijn gewoond sinds de eerste keer dat het gebruik onder overgangsrecht is gebracht. Tussen 15 december 2008 en 2 januari 2009 en sinds 11 oktober 2020 heeft er niemand op het adres ingeschreven gestaan, waardoor het gebruik niet onafgebroken is. Het overgangsrecht is niet van toepassing. Er is dus strijd met het bestemmingsplan.
o. Per e-mailbericht van 15 maart 2022 heeft de advocaat van [geïntimeerde] het besluit toegestuurd aan de toenmalige rechtshelper van [appellanten] . en daarbij het volgende geschreven, voor zover hier relevant:
De aanvraag wordt geweigerd. In het besluit kunt u lezen waarom dat het geval is. Met name is dat veroorzaakt door het feit dat uw cliënten zich niet als bewoners hebben ingeschreven bij de gemeente en daardoor is het overgangsrecht voor het gebruik als woning vervallen. Dat betekent dat cliënt als verkoper niet in verzuim is jegens uw cliënt. Gebruik als woning was bij verkoop immers toegestaan ingevolge het overgangsrecht. Uw cliënt kan indien gewenst als belanghebbende zelf bezwaar aantekenen.
p. [appellanten] . hebben geen bezwaar gemaakt tegen het besluit.
q. Het appartementsrecht is door [appellanten] . niet als woning gebruikt.