ECLI:NL:GHAMS:2025:3425

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/3496
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake proceskostenvergoeding in WOZ-zaak

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende, [X], tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 augustus 2024, waarin de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende heeft vastgesteld op € 269.000. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de beschikking van de heffingsambtenaar vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld op 16 september 2024, waarbij de heffingsambtenaar een verweerschrift heeft ingediend. Het geschil in hoger beroep betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding die aan belanghebbende moet worden toegekend. De rechtbank had een wegingsfactor van 0,5 toegepast voor de proceskosten, wat belanghebbende betwistte. Het Hof oordeelt dat de zaak eenvoudig is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waarbij het de wegingsfactor van 0,5 handhaaft. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er wordt geen vergoeding van kosten toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3496
4 november 2025
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: G. Gieben)
tegen de uitspraak van 13 augustus 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/850 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 maart 2022 de waarde in de zin van artikel 17 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) van de onroerende zaak [straat] te [Z] (de woning) voor het jaar 2022 (hierna ook: de WOZ-waarde) vastgesteld op € 269.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelasting 2022 bekendgemaakt.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de beschikking gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.3.
De rechtbank heeft als volgt beslist op het beroep van belanghebbende (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
­ verklaart het beroep gegrond;
­ vernietigt het bestreden besluit;
­ bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
­ veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 875;
­ gelast verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 50 te vergoeden;
­ veroordeelt verweerder tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening op naam van eiser door verweerder is ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening.
1.4.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld op 16 september 2024. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Desgevraagd heeft geen van beide partijen kenbaar gemaakt een zitting te wensen. Het onderzoek is op 16 oktober 2025 gesloten.

2.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil tot welk bedrag aan belanghebbende een vergoeding in de proceskosten dient te worden toegekend voor de beroepsfase.

3.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“1. Eiser, die genothebbende is van de woning krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, heeft ter zitting verklaard dat hij akkoord is met de waarde van de woning van € 269.000. Eiser handhaaft zijn standpunt dat verweerder artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ heeft geschonden en dat verweerder dient te worden veroordeeld in de proceskosten van eiser.
2. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij niet aan de verplichtingen uit hoofde van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ heeft voldaan.
3. De waarde van de woning is niet langer in geschil en behoeft derhalve geen bespreking. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet aan de verplichtingen uit hoofde van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is voldaan. Het beroep is om die reden gegrond. De uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd, met het in stand laten van de rechtsgevolgen.
4. Ten aanzien van de proceskosten overweegt de rechtbank het volgende. Voor een vergoeding van de proceskosten in bezwaar is geen aanleiding - zoals ook ter zitting door de rechtbank is benoemd - nu de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en de beschikking en de aanslag niet worden herroepen. De proceskosten in beroep stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,5). Verder dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 50 aan hem te vergoeden.
5. Wat betreft het gewicht van de zaak overweegt de rechtbank dat voor zaken betreffende de waardering van woningen de categorie ‘licht’ (wegingsfactor 0,5) behoudens bijzondere omstandigheden op zijn plaats is. De rechtbank vindt het belang van een reguliere WOZ-zaak over een woning namelijk beperkter en vindt dit soort zaken ook minder ingewikkeld dan een gemiddelde bestuursrechtelijke zaak. Omdat het beroep slechts gegrond wordt verklaard wegens het niet nakomen van de verplichtingen ingevolge artikel 40 van de Wet WOZ hanteert de rechtbank een wegingsfactor 0,5.
6. Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ moeten de vergoedingen worden betaald op een bankrekening op naam van eiser.”

4.Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1.
Volgens belanghebbende dient voor de beroepsfase bij de vergoeding in de proceskosten een wegingsfactor van 1 toegepast te worden; de rechtbank heeft volgens hem ten onrechte wegingsfactor 0,5 gehanteerd. De heffingsambtenaar schaart zich achter de door de rechtbank toegepaste wegingsfactor van 0,5.
4.2.
Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn betoog. Bestudering van het dossier leidt het Hof tot het oordeel dat sprake is van een eenvoudig geschil betreffende de WOZ-beschikking van een woning met een beperkt belang. Het Hof voegt daaraan toe dat de gronden die hebben geleid tot gehele of gedeeltelijke vernietiging bij de hoogte van de wegingsfactor een rol kunnen spelen (vgl. Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:862, r.o. 3.2.2). In dit geval is sprake van een kwestie van ondergeschikt belang op grond waarvan belanghebbende in het gelijk is gesteld: een formeel gebrek (schending van artikel 40, tweede lid, Wet WOZ) inzake een in algemene termen geformuleerde grief.
4.3.
De bewerkelijkheid en de complexiteit van het beroep betreffende de woning, en de daarmee verband houdende werkbelasting voor de gemachtigde van belanghebbende konden beperkt zijn, en waren dat naar het oordeel van het Hof ook. Het beroepschrift van belanghebbende is kort, de daarin opgesomde klachten bestrijken minder dan twee pagina’s, het zijn deels standaardklachten en betreffen deels een herhaling van de standpunten in bezwaar. Ook de werkbelasting opgeroepen door het inbrengen in de beroepsfase van een fotoblad ter onderbouwing van enkele klachten is naar het oordeel van het Hof beperkt. Het voorgaande rechtvaardigt een wegingsfactor van 0,5 (licht).
Slotsom
4.4.
Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5.Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van kosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, J-P.R. van den Berg en E.A.M. Huiskers-Stoop, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 4 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: