ECLI:NL:GHAMS:2025:3292

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
200.333.486
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 3:107 BWArt. 3:113 BWArt. 3:306 BWArt. 3:314 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over mastgoot en waterafvoer tussen buren

Partijen zijn buren met een geschil over het dak, de mastgoot en wateroverlast van appellant naar de percelen van geïntimeerden. De rechtbank veroordeelde appellant tot het verwijderen van twee centimeter van de mastgoot die over de erfgrens stak en tot het aanleggen van een deugdelijke afwatering via zijn erf. Tevens werd een deskundige benoemd om nader onderzoek te doen naar de gestelde wateroverlastschade.

In hoger beroep voerde appellant onder meer verjaring aan voor de vordering tot inkorting van de mastgoot. Het hof oordeelde dat de vordering verjaard is, maar dat de reeds uitgevoerde inkorting gehandhaafd blijft omdat het een natuurlijke verbintenis betreft. De grieven over de overbouw van het dak werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en misbruik van bevoegdheid. De waterafvoer werd bevestigd als onvoldoende, met overstromingen richting de percelen van geïntimeerden.

Het hof onderschreef het oordeel van de rechtbank dat een dwangsom passend is gezien het langdurige geschil en dat de termijn van twee weken niet onredelijk is. Het deskundigenbericht over de schade en oorzaak blijft noodzakelijk. De grieven van partijen faalden, geïntimeerde 1 werd niet-ontvankelijk verklaard in het incidenteel hoger beroep, en het bestreden vonnis werd bekrachtigd met veroordeling in proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant twee centimeter van de mastgoot moet verwijderen en een deugdelijke afwatering moet aanleggen, met veroordeling in proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.333.486/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/318775 / HA ZA 21-403
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 december 2025
in de zaak van
[appellant],
wonend te [plaats] ,
appellant,
tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. R. Gruben te Voorburg,
tegen
[geïntimeerde 1],
en
Sjoukje [geïntimeerde 2],
beiden wonend te [plaats] ,
geïntimeerden,
tevens incidenteel appellanten,
advocaat: mr. R.R. Beuker te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] danwel [geïntimeerden] genoemd.

1.De zaak in het kort

Partijen zijn buren. Zij hebben een geschil over het dak van [appellant] , de dakgoot tussen beide percelen en gestelde wateroverlast vanaf het perceel van [appellant] .
De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om twee centimeter van zijn mastgoot te verwijderen en om een deugdelijke afwatering via zijn eigen erf aan te leggen. De rechtbank heeft verder overwogen dat zij voornemens is een deskundige te benoemen ten behoeve van nader onderzoek naar de aard en de oorzaak van de door [geïntimeerden] gestelde wateroverlastschade. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 28 februari 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 7 december 2022 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers en [appellant] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven en wijziging van eis in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties;
- akte overlegging producties van de kant van [geïntimeerde 1] ;
- akte overlegging producties van de kant van [appellant] .
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft in principaal hoger beroep primair geconcludeerd dat het hof de beslissing in het bestreden vonnis dat hij twee centimeter van de mastgoot moet verwijderen en op straffe van een dwangsom een deugdelijke afwatering moet aanleggen, zal vernietigen. Subsidiair heeft [appellant] geconcludeerd dat het hof (i) de dwangsomveroordeling zal vernietigen, althans zal matigen, met bepaling dat de dwangsom pas zal worden verbeurd zodra duidelijkheid zal bestaan over de vereiste aanpassingen en (ii) aan de veroordeling tot verwijdering van de mastgoot de voorwaarde zal verbinden dat de door [appellant] ingevolge artikel 5:54 BW Pro in te stellen rechtsvordering onherroepelijk zal zijn afgewezen. Primair en subsidiair heeft [appellant] gevorderd dat de veroordelingen in het arrest uitvoerbaar bij voorraad zullen worden verklaard en [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties zullen worden veroordeeld.
[geïntimeerden] hebben in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met rente. In incidenteel hoger beroep hebben [geïntimeerden] geconcludeerd dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover hun vorderingen zijn afgewezen en - uitvoerbaar bij voorraad – voor recht zal worden verklaard dat de dakoverbouw onrechtmatig is, [appellant] op straffe van een dwangsom zal worden veroordeeld tot verwijdering van de dakoverbouw, althans tot schadevergoeding, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties.
[appellant] heeft in incidenteel hoger beroep primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerden] , althans tot afwijzing van hun vorderingen. Subsidiair heeft [appellant] geconcludeerd dat bij een toewijzing van de vordering tot verwijdering van de dakopbouw zal worden bepaald dat [appellant] binnen drie maanden met een plan van aanpak en een tijdpad moet komen en de gevorderde dwangsom zal worden afgewezen althans zal worden gematigd, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in hoger beroep.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.Feiten

De rechtbank heeft in 2.1.tot en met 2.10. van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. De eerste twee grieven in principaal hoger beroep en de eerste grief in incidenteel hoger beroep zijn gericht tegen deze feitenvaststelling. De feiten 2.1 tot en met 2.3 (nu 3.1 tot en met 3.3) zijn aangepast aan hetgeen in dit verband door partijen naar voren is gebracht. Daarmee komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[geïntimeerde 2] is eigenaar van de woning aan [straat] [nummer 1] te [plaats] . [geïntimeerden] wonen daar sinds 1983. [appellant] is sinds 1983 eigenaar van het naastgelegen perceel aan [straat] [nummer 2] .
3.2.
Beide percelen waren tot 1983 eigendom van één eigenaar. Op het perceel met nummer [nummer 2] stond een schoolgebouw waar in de jaren 70 een kalverenmesterijschuur (hierna: de schuur) tegenaan is gebouwd. Over de gehele lengte van de schuur hing een dakgoot (hierna: de mastgoot).
3.3.
In de jaren 70 zijn de woning en de schuur aan elkaar gekoppeld doordat aan de woning een berging en een garage zijn gebouwd (hierna: de aanbouw). Hierdoor is de mastgoot onderbroken. Voor het aan de aanbouw grenzende deel van de schuur en het deel van de aanbouw met het rode zadeldak is een tweede dakgoot aangelegd (hierna: de zakgoot). Op de aanbouw zit sindsdien een plat zwart dak en een rood zadeldak.
3.4.
De woning en de schuur zijn in 1980/1981 gesplitst. Hierbij is niets vastgelegd over de hemelwaterafvoer.
3.5.
In 2015/2016 heeft [appellant] de schuur laten verbouwen tot woning. Dit heeft tot een geschil tussen partijen geleid, omdat volgens [geïntimeerden] bij de bouwwerkzaamheden schade is ontstaan aan hun woning.
3.6.
Op 7 november 2016 heeft de toenmalige advocaat van [geïntimeerden] aan [appellant] geschreven dat als gevolg van de bouwwerkzaamheden schade aan de woning is ontstaan en [appellant] daarvoor aansprakelijk gesteld.
3.7.
In opdracht van [geïntimeerden] heeft [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) eind november 2016 de wateroverlast en vochtplekken in de woning van [geïntimeerde 1] onderzocht.
3.8.
Bij verzoekschrift van 4 juli 2017 hebben [geïntimeerden] de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, verzocht om een voorlopig deskundigenbericht ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Bij beschikking van 30 november 2017 heeft de rechtbank ing. [naam] , [functie] bij [bedrijf 2] , tot deskundige benoemd. Kok heeft zijn bevindingen vastgelegd in een deskundigenrapport van 29 juni 2018.
3.9.
In januari 2021 heeft Pompe Lekdetectie in opdracht van [geïntimeerden] de wateroverlast onderzocht. op 19 maart 2021 heeft Nedon Adviesbureau voor houtaantasting onderzoek gedaan.
3.10.
[geïntimeerden] hebben ten laste van [appellant] op 8 juli 2022 conservatoir beslag gelegd op de woning van [appellant] en conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Rabobank voor een begrote vordering van € 1.323.000,--.

4.Eerste aanleg

4.1.
[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg, samengevat, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- [appellant] te gelasten de overbouw te verwijderen;
- [appellant] te gelasten de dakgoot te verwijderen en met inachtneming van de daarvoor geldende eisen een deugdelijke afwatering via zijn eigen erf aan te leggen;
- [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerden] van een schadevergoeding van € 1.081.740,--, althans tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat;
- [appellant] te veroordelen in de proces- en nakosten.
[appellant] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen.
4.2.
De rechtbank heeft [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om twee centimeter van de mastgoot te verwijderen, omdat tijdens de descente is geconstateerd dat de mastgoot twee centimeter over de erfgrens uitsteekt. Verder heeft de rechtbank [appellant] gelast om uiterlijk op 21 december 2022 met inachtneming van de daarvoor geldende eisen een deugdelijke afwatering via zijn eigen erf aan te leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat hij hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,--. Ten aanzien van de hemelwaterafvoer heeft de rechtbank overwogen dat ingevolge artikel 5:52 BW Pro de eigenaar verplicht is de afdekking van zijn gebouwen en werken zo in te richten, dat het water niet op het erf van een ander loopt. Tijdens de descente is geconstateerd dat dit nu wel gebeurt. Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rol voor een akte door partijen waarin zij zich kunnen uitlaten over het voornemen om een deskundigenbericht in te winnen over de vragen welke schade is ontstaan en wat daarvan de oorzaak is. Ten aanzien van de vordering van [geïntimeerden] tot verwijdering van de dakoverbouw heeft de rechtbank overwogen dat [geïntimeerden] daarbij geen gerechtvaardigd belang hebben, gelet op de hoogte van de ruimte boven het dak van [geïntimeerden]

5.Beoordeling

5.1.
[appellant] komt in principaal hoger beroep met zeventien grieven op tegen het bestreden vonnis en [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep met drie grieven. De eerste twee grieven in principaal hoger beroep en de eerste grief in incidenteel hoger beroep zijn hiervoor bij de feiten al aan de orde gekomen. Met betrekking tot de eerste grief in incidenteel hoger beroep overweegt het hof in aanvulling daarop nog dat [geïntimeerde 1] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het incidenteel hoger beroep, omdat hij geen (mede-)eigenaar is van de woning aan [straat] [nummer 1] te [plaats] , zoals door [appellant] aangevoerd en onderbouwd met kadastrale informatie, hetgeen niet nader is weersproken door [geïntimeerden]
5.2.
De grieven 3 en 15 in principaal hoger beroep en 2 en 3 in incidenteel hoger beroep hebben betrekking op de gestelde overbouw van het dak en de mastgoot.
De grieven 4 tot en met 6, 14 en 16 in principaal hoger beroep gaan over de hemelwaterafvoer van het perceel van [appellant] . De grieven 7 tot en met 13 zijn gericht tegen het voornemen van de rechtbank om een deskundige te benoemen in verband met de gestelde schade van [geïntimeerden] Grief 17 in principaal hoger beroep betreft de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordelingen in het bestreden vonnis. De grieven zullen hierna per onderwerp aan de orde komen.
Overbouw mastgoot
5.3.
In het bestreden vonnis is [appellant] veroordeeld om twee centimeter van de mastgoot boven het erf van [geïntimeerden] te verwijderen. Tegen die beslissing hebben beide partijen grieven gericht. [appellant] betoogt dat de vordering van [geïntimeerden] tot inkorting c.q. verwijdering van de mastgoot is verjaard en daarom alsnog integraal moet worden afgewezen. [geïntimeerden] voeren aan dat [appellant] juist had moeten worden veroordeeld om de hele mastgoot te verwijderen (en niet slechts de buitenste twee centimeter), omdat de goot volgens hen integraal over de erfgrens heen steekt.
5.4.
Partijen twisten over de locatie van de erfgrens. [geïntimeerden] stellen dat de erfgrens loopt aan de buitenzijde van de buitenmuur van de woning van [appellant] .
[appellant] stelt dat de erfgrens op een afstand van achttien centimeter van die muur loopt. Op welke van deze twee plaatsen de erfgrens loopt, kan in het midden blijven. In beide gevallen stak de mastgoot, die twintig centimeter breed was, over de erfgrens heen. Door [appellant] is gesteld en door [geïntimeerden] is niet betwist dat deze toestand sinds (in ieder geval) 1983 onafgebroken heeft voortgeduurd tot in ieder geval december 2022. Naar oud recht was de toepasselijke verjaringstermijn dertig jaar (artikel 2004 OBW Pro). De verjaring was op 1 januari 1992 dus nog niet was voltooid. Op grond van de artikelen 73 en 93 Overgangswet NBW is daarom het huidige recht van toepassing, zodat een verjaringstermijn van twintig jaar geldt, beginnend op de dag volgend op die waarop de onmiddellijke opheffing van de onrechtmatige toestand kon worden gevorderd (artikel 3:314 jo Pro. 3:306 BW). De vordering tot verwijdering van de mastgoot, althans het deel ervan dat over de erfgrens steekt, is dus uiterlijk in 2003 verjaard.
5.5.
[geïntimeerden] hebben zich tegen het beroep van [appellant] op bevrijdende verjaring verweerd met een eigen beroep op verkrijgende verjaring van de strook grond onder de mastgoot. Dit betoog slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring van een onroerende zaak is vereist dat degene die zich op verjaring beroept de desbetreffende zaak in bezit neemt. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 BW Pro). Voor de beantwoording van de vraag of een niet-rechthebbende een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW Pro). De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvattingen het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Het bezit moet ondubbelzinnig en openbaar zijn. De eisen die het OBW stelde aan bezit dat de verjaringstermijn deed aanvangen (artikelen 585 en 1992 OBW), zijn bezien vanuit dit geschil materieel gelijk aan de eisen die het BW daaraan stelt, zodat in het midden kan blijven of het OBW of het BW van toepassing is.
5.6.
Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerden] onvoldoende onderbouwd dat zij de strook grond in bezit hebben genomen. Zij hebben niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat zij op enig moment de feitelijke macht over de strook zijn gaan uitoefenen.
5.7.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [appellant] op bevrijdende verjaring slaagt en dat het beroep van [geïntimeerden] op verkrijgende verjaring geen succes heeft. Nochtans zal het hof de veroordeling van [appellant] om de mastgoot met twee centimeter in te korten niet vernietigen. Het hof begrijpt dat [appellant] die inkorting in december 2022 heeft gerealiseerd. De vordering tot inkorting is door het geslaagde beroep van [appellant] op bevrijdende verjaring inmiddels niet langer in rechte afdwingbaar, maar is daarmee niet tenietgegaan. Het gevolg van een geslaagd beroep op verjaring is slechts dat de desbetreffende verplichting het karakter van een natuurlijke verbintenis krijgt (6:3 BW). Nakoming van een natuurlijke verbintenis is niet onverplicht.
Overbouw dak
5.8.
Grief 2 in incidenteel hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] geen gerechtvaardigd belang hebben om zich te verzetten tegen het feit dat een gedeelte van de woning van [appellant] negentien centimeter over het rode zadeldak van [geïntimeerden] heen is gebouwd. [geïntimeerden] wijzen erop dat zij als gevolg van de overbouw hun eigen dak niet meer kunnen verhogen.
5.9.
[appellant] voert allereerst aan dat [geïntimeerden] op dit punt niet ontvankelijk zijn in hun hoger beroep, omdat de rechtbank in het dictum van het bestreden vonnis geen beslissing heeft genomen over de overbouw van het dak. Het hof gaat aan dit betoog voorbij. Weliswaar is in het dictum van het bestreden vonnis de beslissing op de vordering tot verwijdering van deze overbouw nog niet opgenomen, maar de overwegingen 4.2. en 4.3. van het bestreden vonnis hebben onmiskenbaar de strekking [geïntimeerden] hun vordering op dit punt te ontzeggen.
5.10.
Het hof constateert dat partijen ook in dit verband verschillende standpunten innemen over de ligging van de erfgrens. [geïntimeerden] stellen dat de erfgrens loopt langs de rand van het zadeldak, terwijl [appellant] betoogt dat juist het zadeldak van [geïntimeerden] over de erfgrens steekt en dat zijn eigen huis zich geheel binnen de erfgrens bevindt. Omdat [geïntimeerden] zich beroepen op de rechtsgevolgen van de stelling dat de erfgrens loopt langs de buitenrand van het zadeldak, rust op hen de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de loop van de erfgrens. Zij hebben de stelling dat de erfgrens langs de rand van hun zadeldak loopt echter op geen enkele wijze handen en voeten gegeven en hebben die stelling daarom – in het licht van de betwisting door [appellant] – onvoldoende onderbouwd. Alleen al hierom heeft de grief van [geïntimeerden] geen succes.
5.11.
Hier komt nog bij dat, ook als zou moeten worden uitgegaan van de door [geïntimeerden] gestelde loop van de erfgrens, er naar het oordeel van het hof een aperte wanverhouding zou ontstaan tussen de met toewijzing van de vordering van [geïntimeerden] te dienen belangen en de voor [appellant] nadelige gevolgen daarvan. [appellant] heeft erop gewezen dat het verwijderen van de vermeende overbouw - hoewel die slechts negentien centimeter bedraagt - zeer kostbaar en technisch ingrijpend zou zijn. Daartegenover hebben [geïntimeerden] hun belang bij de vordering slechts zeer summier onderbouwd. Zij stellen - voor het eerst in hoger beroep - dat zij als gevolg van de overbouw hun eigen dak niet meer kunnen verhogen. De stelling van [geïntimeerden] dat zij nu, meer dan veertig jaar nadat zij hun huis zijn gaan bewonen, daadwerkelijk het concrete plan hebben opgevat om het dak van het huis te verhogen, hebben zij echter in het geheel niet toegelicht, zodat dat plan in het vage is gebleven. In het licht van het voorgaande leidt een afweging van de betrokken belangen tot de slotsom dat, ook als de stellingen van [geïntimeerden] over de loop van de erfgrens juist zouden zijn, [geïntimeerden] door verwijdering van de vermeende overbouw te vorderen misbruik maken van hun bevoegdheid in de zin van art. 3:13 BW Pro. Ook hierop stuit hun grief af.
Hemelwaterafvoer
5.12.
Bij tussenvonnis van 2 februari 2022 heeft de rechtbank een descente gelast, die op 19 april 2022 heeft plaatsgevonden. In het proces-verbaal van de descente staat onder meer:
De rechter heet de aanwezigen welkom in de achtertuin van [straat] [nummer 1] , waarna de aanwezigen naar het begin van de mastgoot gaan (…).
De rechter constateert dat de afvoer van de mastgoot niet aansluit.
(…)
De rechter ziet dat er op de terrasvlonder aanslag zit.
(…)
Vervolgens kijken alle aanwezigen naar de status van het schilderwerk onder de mastgoot, ter hoogte van peilbuis [nummer 3] . De gele verf op dit deel is afgebladderd.
(…)
Vervolgens lopen Gilian [geïntimeerde 1] , [appellant] , Van Zeben, de rechter en de griffier op het platte dak van de L-vormige aanbouw en bekijken daar (…) de koppeling tussen de zak- en mastgoot (…).
De rechter voelt dat er ruimte tussen de muren zit en merkt daarnaast op dat het water aan beide kanten niet weg kan.
(…)
De rechter merkt op dat hij ziet dat het water eerst bij [geïntimeerden] terecht komt en vervolgens bij [appellant] omdat de zakgoot schuin loopt.
5.13.
Het oordeel van de rechtbank in rechtsoverwegingen 4.10 tot en met 4.12 van het bestreden vonnis komt er, samengevat, op neer dat [appellant] gehouden is een deugdelijke afwatering van de mastgoot aan te leggen omdat:
  • i) de afvoer van de mastgoot niet aansluit op de mastgoot zelf;
  • ii) de mastgoot is gekoppeld aan de zakgoot, maar het water daar niet weg kan, zodat de zakgoot bij enigszins ernstige regenval zal overstromen;
  • iii) aan de aanslag op de buitenmuren en de vlonder van [geïntimeerden] en de scheefhangende zakgoot is te zien dat overstromingen vooral plaatsvinden naar de kant van [geïntimeerden]
Dit oordeel strookt met de bevindingen van de rechtbank die in het proces-verbaal zijn opgenomen. Het hof onderschrijft dit oordeel om die reden dan ook.
5.14.
Het hof stelt voorop dat, anders dan [appellant] betoogt, door [geïntimeerden] (onder meer door overlegging van foto’s van de overstromende goot) voldoende heeft onderbouwd dat de opstal van [appellant] afwatert op het perceel van [geïntimeerden]
De stelling van [appellant] dat de rechtbank niet duidelijk heeft gemaakt waarom het water ter hoogte van de koppeling van de zak- en mastgoot niet weg kan, berust voorts op een onjuiste lezing van rechtsoverweging 4.10 van het bestreden vonnis. Daarin is immers overwogen:
dat ter hoogte van de koppeling van de zakgoot en mastgoot(…)
het water aan beide kanten niet weg kan:niet aan de voor- en niet aan de achterkant(onderstreping hof)
.Voor zover [appellant] betoogt dat het water wel weg kan, namelijk door overstroming van de zakgoot, miskent [appellant] dat dit overstromen – in combinatie met het feit dat de zakgoot scheef hangt met het laagste punt aan de kant van [geïntimeerden] – nu juist de wateroverlast aan de kant van [geïntimeerden] veroorzaakt.
5.15.
[appellant] heeft verder aangevoerd dat het water bij overstromingen van de zakgoot op de grond en deels ook op zijn eigen erf terechtkomt en vervolgens via het grondwater wordt afgevoerd. Daarmee gaat hij eraan voorbij dat de rechtbank heeft geconstateerd dat het water bij overstromingen van de zakgoot als eerste bij [geïntimeerde 2] terechtkomt. Dat bij overstromingen van de zakgoot het water uiteindelijk wordt afgevoerd via het grondwater en (deels) via het perceel van [appellant] , neemt niet weg dat het daarvóór langs de muren van [geïntimeerde 2] loopt.
5.16.
Ter zake van de stelling van [appellant] dat overstromingen van de mandelige zakgoot deels aan [geïntimeerden] zelf te wijten zijn en dat hun vlonder oud, van matige kwaliteit en slecht onderhouden is, geldt dat zowel de door [geïntimeerden] ingeschakelde deskundigen als de door de rechtbank benoemde deskundige hebben geconstateerd dat de dakgoot een te beperkte capaciteit heeft, waaruit het hof afleidt dat overstromingen van de zakgoot niet alleen worden veroorzaakt door de matige onderhoudsstaat van de zakgoot en het daarin geplaatste tussenschot. Daarbij komt overigens nog dat het uitvoeren van onderhoud en het verwijderen van obstakels óók de verantwoordelijkheid is van [appellant] , aangezien de zakgoot mandelig is.
5.17.
Ten slotte is volgens [appellant] ten onrechte een hoge dwangsom en een termijn van twee weken verbonden aan de veroordeling om een deugdelijke afwatering aan te leggen. Het hof volgt hem ook hierin niet. Dat een termijn van twee weken te kort is vanwege de complexiteit ter plaatse is door [geïntimeerden] betwist en heeft [appellant] op geen enkele manier onderbouwd. Het hof is bovendien, net als de kantonrechter, van oordeel dat een prikkel tot nakoming in de vorm van een dwangsom passend is gelet op het al jarenlang voortdurende geschil tussen partijen over de dakgoot. [appellant] heeft het daarnaast zelf in de hand om te voorkomen dat hij de dwangsom verbeurt, reden waarom het hof voorbijgaat aan de stelling dat de dwangsom te hoog is.
Gestelde schade van [geïntimeerden]
5.18.
Ingevolge artikel 186 lid 1 Rv Pro kan de rechter op verzoek van een partij of ambtshalve een deskundigenbericht bevelen. Het gaat hier dus om een discretionaire bevoegdheid; het is aan de rechter overgelaten of hij behoefte heeft aan een nadere deskundige toelichting. De rechter heeft een autonome beslissingsbevoegdheid en is bovendien binnen de grenzen van de artikelen 21 tot en met 25 en 149 Rv vrij om te beoordelen aan welke bron hij gegevens ontleent die hem in staat stellen op een geschilpunt te beslissen. Het gebruik van bevoegdheid en vrijheid door de rechter wordt begrensd door de eis dat de rechterlijke uitspraak voor partijen en de hogere rechter controleerbaar en aanvaardbaar moet zijn.
5.19.
[geïntimeerden] hebben, onder verwijzing naar de bevindingen van door hen ingeschakelde deskundigen, gesteld dat schade aan hun woning is ontstaan omdat de hemelwaterafvoer van [appellant] niet voldoet, maar [appellant] heeft dit weersproken.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank uiteengezet dat zij gelet op de door [geïntimeerden] betrokken stellingen enerzijds en de betwisting daarvan door [appellant] anderzijds een deskundigenonderzoek naar de gestelde schade en de oorzaak noodzakelijk acht. De rechtbank is aldus niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden en heeft zijn beslissing toereikend gemotiveerd. Het hof ziet in de stellingen van [geïntimeerden] geen aanleiding tot een ander oordeel te komen en onderschrijft ook overigens deze beslissing.
5.20.
Dat ter plaatse van de percelen van [appellant] en [geïntimeerde 2] in 2018 een deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden vanwege gestelde schade aan de woning van [geïntimeerde 2] , dat dit deskundigenonderzoek deels ging over dezelfde schade als nu aan de orde is en dat toen is geconcludeerd dat de gestelde schade niet was te wijten aan [appellant] , legt onvoldoende gewicht in de schaal. Uit het inleidende verzoekschrift van [geïntimeerden] , de beschikking van 30 december 2017 en het deskundigenbericht van [bedrijf 2] van 29 juni 2018 volgt namelijk dat het desbetreffende deskundigenbericht ging over een andere vraag dan hier speelt. In het deskundigenbericht van [bedrijf 2] ging het uitsluitend over de vraag of door sloop- en bouwwerkzaamheden op het perceel van [appellant] trillingen waren veroorzaakt die hadden geleid tot schade aan de woning van [geïntimeerde 2] . In deze zaak gaat het daarentegen over de vraag of aan de woning van [geïntimeerde 2] schade is veroorzaakt door wateroverlast van het perceel van [appellant] . Het deskundigenbericht van [bedrijf 2] van 29 juni 2018 stond er dus, anders dan [appellant] betoogt, niet aan in de weg dat de rechtbank opnieuw een deskundigenbericht heeft gelast, omdat de gestelde schadeoorzaak nu een andere is dan de gestelde schadeoorzaak die in 2018 is onderzocht.
5.21.
Voor zover de grieven van [appellant] aldus moeten worden begrepen dat zijn hiervoor onder 5.14 tot en met 5.16 weergegeven stellingen ook in dit verband moeten worden betrokken, geldt dat één en ander afstuit op rechtsoverweging 4.20 van het bestreden vonnis, die het hof onderschrijft. Daarin heeft de rechtbank onder meer overwogen dat bij de beoordeling door de deskundige een rol zal spelen in hoeverre [geïntimeerden] zelf debet zijn aan de schade.
5.22.
[appellant] heeft onvoldoende belang naar voren gebracht bij zijn klacht over de overweging dat het voorschot op de deskundigenkosten door beide partijen moet worden voldaan. In het eindvonnis zal ingevolge artikel 237 Rv Pro worden beslist welke partij de kosten van het deskundigenbericht uiteindelijk zal moeten voldoen. In het geval dat de rechtbank in het eindvonnis zal oordelen dat het honorarium geheel voor rekening moet komen van [geïntimeerden] , zal het deel van het voorschot dat [appellant] heeft voldaan een onderdeel vormen van de door hen te betalen proceskosten.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.23.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan.
5.24.
[appellant] heeft aangevoerd dat hij groot belang heeft bij behoud van de bestaande toestand totdat in hoogste instantie zal zijn geoordeeld. Hij heeft echter niet gesteld, laat staan voldoende toegelicht, dat zijn belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerden] bij de tenuitvoerlegging van de veroordelingen in het bestreden vonnis. Aldus heeft [appellant] onvoldoende gesteld om een afwijking van de hoofdregel te kunnen rechtvaardigen.
Bewijs
5.25.
Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, kunnen leiden tot een andere uitkomst.
Slotoverweging
5.26.
De grieven in principaal en incidenteel hoger beroep treffen geen doel. [geïntimeerde 1] is niet-ontvankelijk in het incidenteel hoger beroep. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] is in het principaal hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in principaal hoger beroep. [geïntimeerden] zijn in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

6.Beslissing

Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel appel:
- verklaart [geïntimeerde 1] niet-ontvankelijk in het incidenteel hoger beroep;
- bekrachtigt het bestreden vonnis;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 343,-- voor verschotten en
€ 1.214,-- voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
- veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 607,-- voor salaris;
-verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. J.E. van der Werff, mr. E.K. Veldhuijzen van Zanten en mr. M.J.R. Brons en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.