ECLI:NL:GHAMS:2025:3202

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
23-002868-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens termijnoverschrijding zonder verontschuldigbare omstandigheden

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 6 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2019. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De verdachte heeft echter pas op 26 oktober 2022 hoger beroep ingesteld, wat buiten de wettelijk voorgeschreven termijn van veertien dagen na het vonnis viel. De verdediging voerde aan dat de verdachte na het vonnis een burn-out had en daarom niet in staat was om tijdig hoger beroep in te stellen. Het hof oordeelde echter dat deze omstandigheden niet verontschuldigbaar waren, aangezien de verdachte destijds een raadsvrouw had en in overleg met haar had besloten geen hoger beroep in te stellen. Het hof concludeerde dat er geen bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden waren die de termijnoverschrijding konden verontschuldigbaar maken. Daarom werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Deze uitspraak volgde na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden, die eerder had geoordeeld dat het recht van de verdachte om het laatst te spreken niet was gerespecteerd, wat leidde tot nietigheid van het eerdere onderzoek. Het hof heeft de vordering van de advocaat-generaal om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep gehonoreerd.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002868-24
datum uitspraak: 6 november 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 10 december 2024 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-659113-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
adres: [adres] .

Procesgang

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 4 juli 2023 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 10 december 2024 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen om de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. Reden daarvoor was dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet was gebleken dat aan de verdachte het recht was gelaten het laatst te spreken, hetgeen tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak leidde.

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2025.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Het hof overweegt als volgt.
De verdachte is op 1 mei 2019 ter terechtzitting van de rechtbank Amsterdam verschenen. De rechtbank heeft vervolgens op 15 mei 2019 vonnis gewezen, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een taakstraf. Bij die stand van zaken had de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), binnen veertien dagen na 15 mei 2019, dus uiterlijk op 29 mei 2019, in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 26 oktober 2022 hoger beroep ingesteld, derhalve niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn.
Deze overschrijding van de termijn brengt met zich dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen, tenzij sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
De verdediging heeft in dat verband aangevoerd dat de verdachte na het wijzen van het vonnis een burn-out had. Gesteld nog gebleken is evenwel dat de verdachte op dat moment niet in staat was om een afweging te maken om wel of geen hoger beroep in te stellen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte, zoals hij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, destijds een raadsvrouw had en in samenspraak met zijn raadsvrouw heeft besloten geen hoger beroep in te stellen. De aangedragen medische redenen maken de termijnoverschrijding dan ook niet verontschuldigbaar.
De verdediging heeft daarnaast aangedragen dat de verdachte tot voortschrijdend inzicht is gekomen en om die reden buiten de termijn van veertien dagen hoger beroep heeft ingesteld. Ook dit is naar het oordeel van het hof geen omstandigheid op grond waarvan de overschrijding van de termijn om hoger beroep in te stellen verontschuldigbaar kan worden geacht. Hetgeen in dat kader is aangevoerd, met name het door de verdediging ingebrachte deskundigenrapport, leidt niet tot een ander oordeel.
Ook overigens heeft het hof in hetgeen door de verdachte en zijn raadsman is aangevoerd, geen grond gezien voor verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld en het hof niet van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden is gebleken op grond waarvan de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar kan worden geacht, zal de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. M. Iedema en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2025.