Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
- voormeld beroepschrift, met producties 1 tot en met 5;
- het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg;
- het verslag van de curator d.d. 23 oktober 2025, met bijlagen 1 tot en met 6;
- de akte aanvullende producties van [appellant] , met producties 6 en 7;
- het verweerschrift van [geïntimeerde] , met een productie.
2.Beoordeling
commitment lettervan [appellant] , waarin laatstgenoemde verklaart “onder voorwaarden” “een deel” van de te ontvangen investering aan te wenden om de schuldeisers van [appellant] “tegemoet te komen”, is onvoldoende omdat hieruit nog niet volgt dat een externe partij de bedoelde investering zal doen, laat staan binnen de genoemde termijn van drie weken. Daarbij komt dat [appellant] reeds eerder toezeggingen heeft gedaan, althans verwachtingen heeft gewekt, dat zij kapitaal zou ontvangen, waaronder de mededeling van haar bestuurder ter zitting in eerste aanleg dat in de “aankomende weken” een investering zou binnenkomen maar dat die toezeggingen telkens niet ertoe hebben geleid dat [appellant] de benodigde gelden heeft ontvangen. Verder is van belang dat [appellant] tot op heden niet in overleg is getreden met haar schuldeisers waaronder de Belastingdienst die met een vordering van € 907.293,- de grootste schuldeiser is. Tegen deze achtergrond en in aanmerking genomen de omstandigheid dat zowel [geïntimeerde] als de curator om bovenvermelde redenen zich hebben verzet tegen het verzoek van [appellant] tot aanhouding, acht het hof onvoldoende aannemelijk dat [appellant] binnen drie weken in staat zal zijn de vorderingen van haar schuldeisers volledig te voldoen dan wel met hen zodanige betalingsregelingen te treffen dat niet langer zou kunnen worden gezegd dat zij verkeert in de toestand van opgehouden te betalen. Het verzoek tot aanhouding wordt mitsdien afgewezen.