ECLI:NL:GHAMS:2025:3131

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
200.359.525
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:15i BWArt. 6 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging faillissementsvonnis wegens opgehouden te betalen ondanks investeringsbeloften

In deze zaak is het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarbij de appellant in staat van faillissement werd verklaard op verzoek van een schuldeiser. De appellant voerde aan dat het faillissement onterecht was omdat zij slechts tijdelijk niet kon betalen en investeringskapitaal zou aantrekken om de schulden te voldoen.

Het hof overwoog dat de appellant niet voldeed aan haar boekhoudplicht en onvoldoende financiële administratie kon overleggen. De curator stelde vast dat de financiële situatie onduidelijk was, het banksaldo zeer laag en de schuldenlast hoog, zonder zicht op nieuwe investeringen of betalingsregelingen.

Het hof constateerde dat de appellant meerdere schuldeisers heeft die al geruime tijd onbetaald worden gelaten en dat zij geen activiteiten ontplooit om inkomsten te genereren. De beloofde kapitaalinjectie was niet onderbouwd met concrete bewijsstukken en eerdere toezeggingen waren niet nagekomen.

Het verzoek tot aanhouding van de procedure om een regeling met schuldeisers te treffen werd afgewezen vanwege onvoldoende aannemelijkheid dat binnen drie weken voldoende kapitaal beschikbaar zou zijn. Het hof bekrachtigde het faillissementsvonnis van de rechtbank en wees het beroep af.

Uitkomst: Het faillissementsvonnis wordt bekrachtigd en het beroep afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat appellant niet is opgehouden te betalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.359.525/01
faillissementsnummer rechtbank Amsterdam : C/13/25/381 F
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 november 2025
in de zaak van
[appellant],
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. M.W. Hoek te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Rooimans te Tilburg.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij op 24 september 2025 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift, met bijlagen, in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2025, waarbij [appellant] op verzoek van [geïntimeerde] in staat van faillissement is verklaard met benoeming van [naam 1] , lid van voornoemde rechtbank, tot rechter-commissaris en met aanstelling van [naam 2] als curator. Nadat de curator een aantal malen was vervangen, is laatstelijk als curator aangesteld [naam 3] (hierna: de curator).
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 28 oktober 2025. Bij die behandeling zijn verschenen [naam 4] , bestuurder van [appellant] , bijgestaan door mr. Hoek voornoemd en mr. S.F. Dobbelaar, advocaat te Amsterdam. Ook [geïntimeerde] is ter zitting verschenen, bijgestaan door een tolk in de Engelse taal en mr. Rooimans voornoemd. Verder is verschenen [naam 5] , schuldeiser. Ten slotte is ter zitting verschenen de curator die haar standpunt heeft toegelicht aan de hand van het hierna te noemen verslag. Voornoemde advocaten hebben de standpunten van partijen toegelicht, mr. Hoek aan de hand van spreekaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd.
Het hof heeft kennis genomen van de volgende stukken die ter griffie zijn ingediend:
  • voormeld beroepschrift, met producties 1 tot en met 5;
  • het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg;
  • het verslag van de curator d.d. 23 oktober 2025, met bijlagen 1 tot en met 6;
  • de akte aanvullende producties van [appellant] , met producties 6 en 7;
  • het verweerschrift van [geïntimeerde] , met een productie.
Partijen en de curator hebben desgevraagd verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.
Ten slotte is arrest bepaald.

2.Beoordeling

2.1.
[geïntimeerde] heeft aan zijn verzoek tot faillietverklaring van [appellant] een vordering ten grondslag gelegd van € 120.833,30, te vermeerderen met de wettelijke rente. Blijkens het inleidend verzoekschrift vloeit de vordering voort uit een arbeidsovereenkomst tussen partijen, op grond waarvan de voorzieningenrechter van de rechtbank [plaats 1] bij kortgedingvonnis van 10 juni 2025 [appellant] heeft veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van achterstallig loon over de maanden januari 2025 tot en met maart 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente, en voorts tot doorbetaling van het salaris vanaf april 2025 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.
2.2.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat summierlijk is gebleken van een vordering van [geïntimeerde] , alsmede van feiten en omstandigheden die aantonen dat [appellant] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
2.3.
[appellant] heeft in haar beroepschrift betoogd dat het faillissement ten onrechte is uitgesproken en dat het faillissementsvonnis daarom dient te worden vernietigd. Zij heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd. Ten eerste is geen sprake van een structurele toestand waarin [appellant] is opgehouden te betalen, maar slechts van de situatie waarin [appellant] over onvoldoende liquiditeit beschikt om [geïntimeerde] ineens te voldoen. [appellant] erkent de vordering van [geïntimeerde] en is voornemens deze te voldoen. Dat dit nog niet is gebeurd, ook niet nadat partijen daartoe een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten, komt door overmacht. [appellant] betaalt vrijwel al haar leveranciers en zij is in onderhandeling met diverse investeerders om vermogen aan te trekken. Ten tweede heeft haar aandeelhouder, [appellant] (hierna: [appellant] ), toegezegd eind september 2025 een kapitaalinjectie van € 250.000,- te doen, waarna de vordering van [geïntimeerde] zal kunnen worden voldaan.
2.4.
[geïntimeerde] heeft in zijn verweerschrift - samengevat - het volgende naar voren gebracht. Van de genoemde kapitaalinjectie is niets terechtgekomen. Dit was de zoveelste loze belofte van [appellant] in de afgelopen periode van tien maanden. [geïntimeerde] heeft de vaststellingsovereenkomst op grond waarvan [appellant] de loonvordering in delen zou voldoen, ontbonden omdat de eerste betalingsverplichting al niet werd nagekomen. [appellant] heeft, hoewel daartoe uitgenodigd, geen voorstel of enige betaling gedaan aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] concludeert dan ook tot bekrachtiging van het faillissementsvonnis.
2.5.
De curator heeft in het hiervoor genoemde verslag verklaard dat het door de gebrekkige informatievoorziening lastig is gebleken een accurate reconstructie te maken van de financiële situatie van [appellant] . Voorts heeft de curator het volgende aangevoerd. [appellant] heeft een significant deel van de administratie niet overgelegd. Het deel dat wel is overgelegd, lijkt onvolledig en/of onjuist. De curator heeft slechts een banksaldo van € 1.177,59 kunnen vaststellen en vermoedt dat de activa zeer beperkt zijn, terwijl de schuldenlast vermoedelijk zeer hoog is. De Belastingdienst en drie (oud-)werknemers hebben vorderingen ingediend. De curator verwacht nog minstens acht schuldeisers die zich met vorderingen bij haar zullen melden. De totale schuldenlast bedraagt € 1.746.041,00. Niet is gebleken van nieuwe investeringen, betalingen aan schuldeisers of met hen getroffen regelingen. De curator concludeert dat er geen grond is voor vernietiging van het faillissement.
2.6.
Op grond van artikel 6, derde lid, Faillissementswet (Fw) wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden welke aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, dient de rechter in hoger beroep opnieuw te onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Bij zijn beslissingen daarover dient hij uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn uitspraak en moet hij dus de op dat moment bestaande omstandigheden in aanmerking nemen. Het hiervoor overwogene brengt mee dat naast de vordering van de aanvrager dient te blijken van ten minste nog een vordering van een andere schuldeiser, oftewel dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers met dien verstande dat in ieder geval één van de vorderingen opeisbaar is.
2.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] een opeisbare vordering heeft op [appellant] , die tot en met oktober 2025 € 171.824,96 bedraagt. Deze vordering die steeds verder oploopt, wordt al geruime tijd onbetaald wordt gelaten. Daarnaast is summierlijk gebleken van een loonvordering van Vilkov van ruim € 26.000,- die eveneens al geruime tijd onbetaald wordt gelaten door [appellant] . Met betrekking tot de vraag of [appellant] daarnaast verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen overweegt het hof het volgende. Blijkens de toelichting van de curator worden binnen [appellant] momenteel geen activiteiten ontplooid en geen inkomsten gegenereerd. Daarnaast beschikt [appellant] over onvoldoende liquide middelen en worden - zoals hiervoor reeds vermeld - schulden al langere tijd onbetaald gelaten. Ook is niet gebleken dat [appellant] betalingsregelingen heeft getroffen met schuldeisers. Naar de curator heeft vastgesteld is [appellant] bij gebreke van financiële middelen niet in staat haar schuldeisers te voldoen, maar daarvoor volledig afhankelijk van [appellant] die op haar beurt afhankelijk is van externe investeerders, hetgeen door [appellant] ter zitting in hoger beroep is erkend. Deze feiten en omstandigheden maken dat [appellant] thans verkeert in de toestand dat zij is opgehouden te betalen. De stelling van [appellant] dat zij een aantal leveranciers wel betaalt, hetgeen de curator overigens niet heeft kunnen vaststellen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij komt dat [appellant] - naast de hiervoor genoemde vorderingen van [geïntimeerde] en Vilkov - vorderingen van de Belastingdienst en van andere schuldeisers langdurig onbetaald laat. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook in hoger beroep is voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring.
2.8.
Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] verzocht de zaak drie weken aan te houden om haar de gelegenheid te bieden een regeling met de schuldeisers te treffen. Zij heeft toegelicht dat [appellant] naar verwachting binnen die termijn externe financiering zal aantrekken, waarmee [appellant] haar schuldeisers - onder wie [geïntimeerde] - een gunstiger regeling zal kunnen aanbieden dan in het geval het faillissement zou worden gehandhaafd. Zowel [geïntimeerde] als de curator hebben afwijzend gereageerd op het aanhoudingsverzoek.
2.9.
Het hof overweegt als volgt. [appellant] heeft bij monde van haar bestuurder ter zitting in hoger beroep weliswaar verklaard dat voor driehonderd procent zeker is dat zij na drie weken zal beschikken over het benodigde kapitaal, maar die verklaring is onvoldoende feitelijk onderbouwd. Zo ontbreken bijvoorbeeld stukken waaruit zou kunnen volgen dat investeerders het benodigde kapitaal binnen de genoemde termijn zullen verschaffen. De verwijzing van [appellant] naar een
commitment lettervan [appellant] , waarin laatstgenoemde verklaart “onder voorwaarden” “een deel” van de te ontvangen investering aan te wenden om de schuldeisers van [appellant] “tegemoet te komen”, is onvoldoende omdat hieruit nog niet volgt dat een externe partij de bedoelde investering zal doen, laat staan binnen de genoemde termijn van drie weken. Daarbij komt dat [appellant] reeds eerder toezeggingen heeft gedaan, althans verwachtingen heeft gewekt, dat zij kapitaal zou ontvangen, waaronder de mededeling van haar bestuurder ter zitting in eerste aanleg dat in de “aankomende weken” een investering zou binnenkomen maar dat die toezeggingen telkens niet ertoe hebben geleid dat [appellant] de benodigde gelden heeft ontvangen. Verder is van belang dat [appellant] tot op heden niet in overleg is getreden met haar schuldeisers waaronder de Belastingdienst die met een vordering van € 907.293,- de grootste schuldeiser is. Tegen deze achtergrond en in aanmerking genomen de omstandigheid dat zowel [geïntimeerde] als de curator om bovenvermelde redenen zich hebben verzet tegen het verzoek van [appellant] tot aanhouding, acht het hof onvoldoende aannemelijk dat [appellant] binnen drie weken in staat zal zijn de vorderingen van haar schuldeisers volledig te voldoen dan wel met hen zodanige betalingsregelingen te treffen dat niet langer zou kunnen worden gezegd dat zij verkeert in de toestand van opgehouden te betalen. Het verzoek tot aanhouding wordt mitsdien afgewezen.
2.10.
De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en G.H. Lankhorst en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.