ECLI:NL:GHAMS:2025:3130

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
200.359.279
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:15i BWArt. 288 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende boekhouding en gebrek aan goede trouw

Appellante exploiteerde sinds 2017 een snackbar en later ook een restaurant op basis van pachtovereenkomsten. Zij beëindigde deze per eind 2024. Het hof oordeelt dat er geen sprake was van investeringen of goodwill die een vergoeding rechtvaardigen, waardoor geen benadeling van schuldeisers is vastgesteld.

Het hof onderzoekt vervolgens de toewijzing van de schuldsaneringsregeling. Op grond van artikel 3:15i BW rust op de ondernemer een boekhoudplicht. Appellante heeft niet voldaan aan deze verplichting en beschikte niet over een volledige administratie. Haar nieuwe boekhouder kon de administratie niet herstellen, waardoor onvoldoende inzicht bestond in haar financiële situatie.

Vanwege deze gebrekkige administratie en het ontbreken van aannemelijk bewijs dat zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden, waaronder een schuld aan de Belastingdienst van ruim €300.000 en een vordering van ruim €16.000, wijst het hof het verzoek af. Ook andere schulden, zoals aan het CJIB en RVO, zijn niet aannemelijk verantwoord. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende administratie en het niet aannemelijk maken van goede trouw.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.359.279/01
rekestnummer rechtbank : C/13/772074/ FT RK 25/642
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 november 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. J. Bouter te Amsterdam.
Appellante wordt hierna [appellant] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij op 18 september 2025 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift, met bijlagen, in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2025, waarbij het verzoek van [appellant] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 28 oktober 2025. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door [naam 2] , boekhouder, en mr. Bouter voornoemd, die het beroepschrift mondeling heeft toegelicht.
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift, met bijlagen, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, en de namens [appellant] op 20 oktober 2025 nader overgelegde producties XVIII tot en met XXI.
[appellant] heeft desgevraagd verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.

2.Beoordeling

2.1.
[appellant] heeft in het beroepschrift verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog toe te wijzen.
Daartoe heeft [appellant] vier grieven aangevoerd. De grieven richten zich - samengevat - tegen de overwegingen van de rechtbank dat [appellant] voor de overname van het door haar geëxploiteerde restaurant een vergoeding had moeten ontvangen (grief 1) gelet op de inventaris, goodwill en investeringen van [appellant] (grief 2), dat onduidelijk is gebleven waarom voor de overname géén vergoeding verschuldigd was (grief 3) en dat door het ontbreken van een vergoeding schuldeisers zijn benadeeld waarvoor [appellant] een verwijt treft (grief 4). De grieven worden gelet op hun onderlinge samenhang gezamenlijk behandeld.
2.2.
Het hof overweegt als volgt. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep blijkt dat [appellant] op 1 juli 2017 in de vorm van een eenmanszaak een snackbar is gaan exploiteren en daarvoor een pachtovereenkomst heeft gesloten met [bedrijf 1] Uit de pachtovereenkomst blijkt dat het een bestaande horecazaak betrof met de naam “ [bedrijf 1] ”. De pachtovereenkomst bepaalt dat hierin zijn begrepen de bedrijfsnaam, de goodwill en de inventaris en dat [appellant] is verplicht zorg te dragen voor het onderhoud van de binnenzijde van het pand en van de inventaris. [appellant] heeft toegelicht dat zij eind 2019 haar zaak heeft uitgebreid met het naastgelegen restaurant, dat van dezelfde partij onder dezelfde voorwaarden werd gehuurd. [appellant] heeft de pachtovereenkomst, ten aanzien van zowel de snackbar als het restaurant, schriftelijk beëindigd per 28 december 2024. Voor de inventaris en goodwill die op het moment van beëindiging van de pachtovereenkomst al dan niet aanwezig waren, komt [appellant] geen vergoeding toe uit hoofde van de pachtovereenkomst. Naar [appellant] heeft verklaard bestonden de door haar gedane investeringen in het restaurant uitsluitend uit het aanbrengen van een likje verf en het verzorgen van menukaarten waarvoor zij zelf diende te zorgen zoals hiervoor weergegeven. Naar het oordeel van het hof is derhalve geen sprake van investeringen en/of goodwill op grond waarvan [appellant] jegens de verpachter in redelijkheid aanspraak had kunnen maken op een vergoeding. Dit betekent dat niet kan worden geoordeeld dat het ontbreken van de bedoelde vergoeding heeft geleid tot benadeling van de schuldeisers van [appellant] .
2.3.
Het voorgaande leidt ertoe dat de grieven slagen en dat betekent dat het hof opnieuw dient te onderzoeken of het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan worden toegewezen. Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een dergelijk verzoek alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het hof is van oordeel dat [appellant] daarin niet is geslaagd. Daartoe is het volgende redengevend.
2.4.
Het hof stelt voorop dat op een ondernemer op grond van artikel 3:15i van het Burgerlijk Wetboek (BW) een boekhoudplicht rust, in die zin dat er een zodanige administratie wordt bijgehouden dat daaruit de financiële verplichtingen van de onderneming blijken en op basis waarvan juist en tijdig belastingaangifte kan worden gedaan. [appellant] heeft niet, althans in onvoldoende mate, aan deze verplichting voldaan. [appellant] heeft erkend dat zij niet beschikt over een (volledige) administratie van de vermogenstoestand van de onderneming(en) waaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. De stelling van [appellant] dat haar voormalige boekhouder heeft nagelaten de administratie correct te verzorgen en dat hij ook nog eens de door [appellant] aangeleverde stukken uit het digitale boekhoudsysteem heeft verwijderd omdat [appellant] hem niet meer kon betalen, is - wat daarvan ook zij - een omstandigheid die voor rekening en risico van [appellant] komt. Zij blijft immers zelf verantwoordelijk voor het voeren van een deugdelijke boekhouding. Ondanks zijn inspanningen kon [naam 2] , de nieuwe boekhouder van [appellant] , de onvolkomenheden in de boekhouding niet afdoende herstellen. Hangende het hoger beroep heeft hij de aangifte voor de inkomstenbelasting verzorgd over de jaren 2022, 2023 en 2024. Uit zijn schriftelijke toelichting volgt dat het niet is gelukt de administratie terug te halen en dat de aangiftes zijn gebaseerd op de “beperkte informatie en gegevens” die hem ter beschikking zijn gesteld. Ter zitting in hoger beroep heeft [naam 2] toegelicht dat hij de omzet heeft bepaald aan de hand van uit de kassa gedownloade overzichten, maar dat onder meer privé-onttrekkingen uit de onderneming niet konden worden gereproduceerd omdat hij niet heeft kunnen beschikken over afschriften van de door [appellant] aangehouden zakelijke rekening. Het ontbreken van deze stukken heeft tot gevolg dat niet inzichtelijk is geworden op welke wijze de uit de onderneming verkregen gelden zijn besteed. Dit wordt niet anders door de overgelegde afschriften van [appellant] ’ privérekening, omdat die afschriften niet de inkomsten en uitgaven van de onderneming(en) bevatten en bovendien slechts de periode van 9 januari 2025 tot en met 18 februari 2025 betreffen zodat ook daarvan geen compleet beeld is gegeven. Daarbij komt dat deze afschriften veeleer vragen oproepen met betrekking tot het uitgavenpatroon [appellant] . Zo is niet duidelijk geworden waarom op die afschriften niet of onvoldoende blijkt van uitgaven in verband met primaire levensbehoeften zoals onder meer de kosten voor boodschappen, terwijl meerdere afschrijvingen zijn gedaan ten behoeve van diverse loterijen en goede doelen, ondanks dat dergelijke uitgaven niet passend zijn in een situatie waarin - naar zeggen van [appellant] zelf - sprake was van financiële nood. Uit het voorgaande volgt dat het hof vanwege de gebrekkige administratie onvoldoende inzicht heeft kunnen krijgen in de rechten en verplichtingen van [appellant] . Die omstandigheid leidt ertoe dat [appellant] niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden waaronder de schuld aan de Belastingdienst van ruim € 300.000,- en de vordering van [bedrijf 2] ad € 16.153,50 (hoofdsom) te goeder trouw is geweest.
2.5.
Het hof neemt voorts in aanmerking dat sprake is van een significante en aanzienlijke schuldenlast. In het dossier bevindt zich een schuldenoverzicht dat op 4 juli 2025 is opgesteld door Zuidweg Schuldhulp, waaruit een totale schuldenlast van € 277.148,52 blijkt. Een aanzienlijk deel daarvan betreft schulden aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Eén van de schuldeisers is de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), met vorderingen uit 2023 en 2024 van in totaal meer dan € 40.000,-. [appellant] heeft desgevraagd verklaard dat zij vermoedt dat die schuld betrekking heeft op te veel ontvangen financiële steun in verband met Covid-19. Waarom dit bedrag terugbetaald moet worden, is bij gebreke van nadere informatie zoals schriftelijke besluiten tot terugbetaling, door [appellant] niet duidelijk gemaakt. Evenmin is duidelijk geworden waarom [appellant] het bedrag onbetaald heeft gelaten ondanks de omstandigheid dat de snackbar na de coronapandemie voldoende klandizie trok en tot aan de sluiting eind 2024 goed heeft gedraaid zoals [appellant] ter zitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard. Dit betekent dat [appellant] ook ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van deze schuld niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij te goeder trouw is geweest.
2.6.
Het ter zitting gedane bewijsaanbod om afschriften van [appellant] ’ privérekening bij Triodos Bank aan te leveren, wordt als niet ter zake dienend gepasseerd omdat ook de verstrekking van deze bankafschriften niet tot een ander oordeel kan leiden. Vaststaat immers dat de desbetreffende rekening eerst op 3 juli 2025 is geopend, zodat afschriften van deze rekening niet het benodigde inzicht kunnen verschaffen met betrekking tot de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het op 8 juli 2025 ingediende verzoekschrift.
2.7.
De slotsom is dat het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling ook in hoger beroep niet toewijsbaar is. Het hof zal het bestreden vonnis - op andere gronden - bekrachtigen.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en G.H. Lankhorst en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.