Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:310

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2025
Publicatiedatum
4 februari 2025
Zaaknummer
23-000973-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wegens drugshandel en diefstal met vernietiging betalingsverplichting

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin verdachte was veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder opzettelijk handelen in strijd met het verbod van de Opiumwet en diefstal met verbreking. De rechtbank had tevens een betalingsverplichting opgelegd tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €157.596.

In hoger beroep bevestigde het hof de veroordeling voor de strafbare feiten, zij het met een iets andere kwalificatie. Ten aanzien van de betalingsverplichting vernietigde het hof het vonnis. De betrokkene had een hersenbloeding gehad en kon daardoor geen draagkracht tonen om het bedrag te voldoen. Zowel de advocaat-generaal als de verdediging stemden in met een billijke afdoening, mede gezien de afstand van de betrokkene van inbeslaggenomen goederen ter waarde van €14.980 ten behoeve van de staat.

Het hof stelde de betalingsverplichting daarom op nihil, rekening houdend met de huidige en toekomstige financiële situatie van de betrokkene. Hiermee werd de ontnemingsvordering feitelijk kwijtgescholden, terwijl de strafrechtelijke veroordeling gehandhaafd bleef.

Uitkomst: Betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gesteld op nihil vanwege geringe draagkracht, strafrechtelijke veroordeling bevestigd.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000973-21 (ontneming)
datum uitspraak: 4 februari 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 april 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-870712-15 tegen de betrokkene:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 157.596,00.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 april 2021 – samengevat – in de strafzaak veroordeeld ter zake van:
-
ten aanzien van feit 1 en feit 3, telkens
in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
-
ten aanzien van feit 2
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
-
ten aanzien van feit 4 en feit 5, telkens
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 9 april 2021 in de ontnemingszaak de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 157.596,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van heden in de strafzaak veroordeeld ter zake van dezelfde feiten (zij het iets anders gekwalificeerd) als waar hij in eerste aanleg voor is veroordeeld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen behalve ten aanzien van de betalingsverplichting. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Betalingsverplichting

Door en namens de betrokkene is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de betrokkene een hersenbloeding heeft gehad, en ten gevolge hiervan op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft om het wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen.
De bijzondere feiten en omstandigheden in deze hebben ertoe geleid dat de advocaat-generaal en de verdediging zich bereid hebben getoond om – gedurende een onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting – te overleggen over een billijke afdoening van de zaak. Naar aanleiding hiervan is door de advocaat-generaal gevorderd en door de verdediging verzocht om – gelet op het tijdsverloop van de zaak, de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene en het feit dat de betrokkene afstand heeft gedaan van de onder hem inbeslaggenomen goederen ten behoeve van de staat – de betalingsverplichting op nihil te stellen.
Het hof kan zich daarin vinden. De huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de betrokkene zijn dermate gering, dat onaannemelijk is dat de betrokkene in staat zal zijn aan enige betalingsverplichting wegens wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen. Voorts houdt het hof rekening met het feit dat de verdachte ter terechtzitting in de strafzaak uitdrukkelijk afstand heeft gedaan ten behoeve van de Staat van de onder hem in beslag genomen goederen, ter waarde van € 14.980,00.
Gelet op het voorgaande zal het hof de betalingsverplichting op nihil stellen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de betalingsverplichting en doet in zoverre opnieuw recht.
Stelt de verplichting tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op
nihil.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J. Piena, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 februari 2025.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]