Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin verdachte was veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder opzettelijk handelen in strijd met het verbod van de Opiumwet en diefstal met verbreking. De rechtbank had tevens een betalingsverplichting opgelegd tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €157.596.
In hoger beroep bevestigde het hof de veroordeling voor de strafbare feiten, zij het met een iets andere kwalificatie. Ten aanzien van de betalingsverplichting vernietigde het hof het vonnis. De betrokkene had een hersenbloeding gehad en kon daardoor geen draagkracht tonen om het bedrag te voldoen. Zowel de advocaat-generaal als de verdediging stemden in met een billijke afdoening, mede gezien de afstand van de betrokkene van inbeslaggenomen goederen ter waarde van €14.980 ten behoeve van de staat.
Het hof stelde de betalingsverplichting daarom op nihil, rekening houdend met de huidige en toekomstige financiële situatie van de betrokkene. Hiermee werd de ontnemingsvordering feitelijk kwijtgescholden, terwijl de strafrechtelijke veroordeling gehandhaafd bleef.