Het Gerechtshof Amsterdam heeft in een tussenarrest van 7 januari 2025 geoordeeld dat tussen Flower Valley en geïntimeerde een overeenkomst tot levering van een bepaald aantal tulpen per week tot stand is gekomen. Hoewel geïntimeerde tegenbewijs heeft geleverd, acht het hof dit onvoldoende om het voorshands bewezen oordeel te ontkrachten.
In het geding zijn drie getuigen gehoord over een gesprek van 11 juli 2020, waarin volgens geïntimeerde geen bindende afspraken zijn gemaakt. Het hof concludeert echter dat de correspondentie in oktober 2020, waaronder een Whatsapp-bericht en e-mailwisselingen, duiden op een overeenkomst en dat geïntimeerde zich niet zonder meer op vrijblijvendheid mocht beroepen.
Flower Valley heeft gesteld dat geïntimeerde slechts 58,73% van de afgesproken 9.290.000 stelen heeft geleverd, wat leidt tot een leveringstekort en schade. Het hof overweegt dat Flower Valley onvoldoende heeft gesteld om tot een abstracte schadeberekening over te gaan en dat de schade concreet moet worden berekend. Daarom wordt de zaak verwezen voor nadere toelichting en onderbouwing van de schade.