ECLI:NL:GHAMS:2025:2956

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
24/3249
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onterecht opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting en recht op proceskostenvergoeding

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 14 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een naheffingsaanslag parkeerbelasting die aan belanghebbende was opgelegd. De heffingsambtenaar van de gemeente [Z] had aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd, omdat zij naar zijn mening geen parkeerbelasting had voldaan. Belanghebbende had echter betoogd dat zij per ongeluk een verkeerd kenteken had opgegeven bij het voldoen van de parkeerbelasting. De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, maar in hoger beroep oordeelde het Hof dat de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd. Het Hof stelde vast dat belanghebbende niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had ontvangen in de beroepsfase, wat leidde tot een schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Hierdoor had belanghebbende niet de kans om zich adequaat te verweren. Het Hof verklaarde het hoger beroep gegrond en oordeelde dat belanghebbende recht had op een vergoeding van de proceskosten. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot het vergoeden van de kosten van rechtsbijstand en het betaalde griffierecht. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, en de naheffingsaanslag werd ongeldig verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3249
14 oktober 2025
uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema)
tegen de uitspraak van 23 april 2024 in de zaak met kenmerk AMS 23/7140 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] ,de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Desgevraagd heeft geen van beide partijen kenbaar gemaakt een zitting te wensen.
Het onderzoek is op 2 september 2025 gesloten.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft het volgende procesverloop weergegeven in de uitspraak (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’):

Procesverloop
Aan eiseres is een naheffingsaanslag parkeerbelasting (naheffingsaanslag) opgelegd.
Met de bestreden uitspraak van 30 oktober 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar
van eiseres tegen die naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 12 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de heffingsambtenaar, in de persoon van mr. [naam] , deelgenomen. Eiseres is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.”
2.2.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag opgelegd nadat haar auto met kenteken
[#] op 3 juni 2023 om 20.22 uur geparkeerd stond ter hoogte van de [straat 1] te [Z] .
2.3.
Ter voldoening van de op de locatie verschuldigde parkeerbelasting heeft belanghebbende abusievelijk het kenteken van een andere auto met kenteken [#] aangemeld via een applicatie op haar mobiele telefoon ( [bedrijf] ).
2.4.
Na een controle heeft de heffingsambtenaar geconcludeerd dat voor de auto met kenteken [#] geen parkeerbelasting was voldaan. Daarom is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
2.5.
In de zittingsaantekeningen van het onderzoek ter zitting bij de rechtbank is het volgende opgetekend:
“Rechter (R): mevrouw [X] en haar gemachtigde zijn er niet. Wij hebben B[ezwaar]-map
opgevraagd maar niet ontvangen.
Heffingsambtenaar (V): helaas is dat niet gebeurd. Geen stukken en verweerschrift
ingediend. Spijt mij.
(…)
R: weet niet wat op 3 juni is betaald en voor welke auto. Verder heb ik niks. Heeft u wel inzage gehad in de B[ezwaar]-stukken?
V: ik heb wel stukken gezien, overlegt deze.
R: zijn nieuw voor mij, ook aanslag zelf, foto’s. Ik ga er vanuit dat eiseres deze kent, dat dossier naar haar is verstuurd. Hier komt bedrag € 19,50 terug, zie wel 3 juni [straat 2] .
U kunt uw papieren terugnemen. Wat is standpunt van verweerder?
V: geen stuk overgelegd in bezwaar en beroep waaruit blijkt dat het is zoals eiseres stelt.
R: kunt u deze stukken alsnog laten uploaden in het systeem zodat dossier compleet is, doen we het met wat we nu hebben gezien, kunnen op basis daarvan beslissing nemen.”
2.6.
Belanghebbende heeft na de zitting bij de rechtbank geen stukken ontvangen. Het bij hoger beroep aan het Hof overgedragen digitale dossier van de rechtbank bevat ook geen stukken die na de zitting bij de rechtbank zijn ingediend.

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is niet meer in geschil dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd. Om die reden is het hoger beroep derhalve reeds gegrond.
In geschil is nog alleen of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de proceskosten.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“2. Eiseres voert in beroep aan dat zij betaald heeft voor het parkeren. Zij heeft ter onderbouwing daarvan een betalingsoverzicht meegestuurd. Eiseres stelt dat zij parkeerbelasting heeft voldaan voor een onjuist kenteken. Zij heeft namelijk kenteken [#] ingevuld in plaats van [#] . Eiseres heeft parkeerrechten verkregen op 3 juni 2023 van 17.44 uur tot 20.59 uur. Eiseres wijst erop dat ingevolge artikel 20 van de AWR [
voetnoot 1: Algemene wet inzake rijksbelastingen.] een naheffingsaanslag slechts kan worden opgelegd in het geval er geen belasting is betaald. Eiseres heeft wel belasting betaald. De heffingsambtenaar heeft dus onterecht een naheffingsaanslag opgelegd.
3. Blijkens een arrest van 26 februari 2016 van de Hoge Raad [
voetnoot 2: ECLI:NL:HR:2016:316.] volgt uit artikel 20 van de AWR dat als voor het parkeren de verschuldigde belasting is betaald, het niet mogelijk is om een naheffingsaanslag op te leggen. Het invullen van een onjuist kenteken doet daaraan niet af.
4. Eiseres heeft bij haar bezwaarschrift een printscreen overgelegd van een betaalbewijs. Het betaalbewijs vermeldt als adres de [straat 2] , de parkeertijd zoals eiseres deze in beroep heeft aangegeven en het bedrag dat hiervoor is betaald. Bij haar beroepschrift heeft eiseres een betalingsoverzicht van [bedrijf] overgelegd waarin staat wat voor bedrag eiseres aan [bedrijf] verschuldigd is voor de periode juni 2023.
5. Uit de printscreen van het betaalbewijs blijkt dat op 3 juni 2023 in de [straat 2] is geparkeerd tussen 17.44 uur en 20.59 uur, maar niet met welke auto. Ook het betalingsoverzicht van [bedrijf] biedt daarover geen duidelijkheid. In het betalingsoverzicht staat nergens expliciet waar en wanneer eiseres in juni 2023 zou hebben geparkeerd en met welk kenteken. Ook komt het bedrag dat in de printscreen staat dat voor het parkeren zou zijn betaald (€ 19,50) niet terug in het betalingsoverzicht. Het is de rechtbank dus onduidelijk of eiseres daadwerkelijk voor het parkeren met haar auto met kenteken [#] betaald heeft. Ook de stelling van eiseres dat zij het verkeerde kenteken heeft ingevuld is niet te na te gaan, omdat kenteken [#] niet genoemd wordt in de door eiseres verstrekte stukken. Eiseres heeft voor beide kentekens dus niet aangetoond dat zij voor het parkeren betaald heeft. Dit betekent dat het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016 niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag kan leiden. Anders dan in deze zaak, was in het arrest van de Hoge Raad immers duidelijk voor welke auto parkeerbelasting betaald was, zodat de conclusie kon worden getrokken dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan.
6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.”

5.Beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1.
Het Hof constateert op grond van hetgeen in het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank is opgenomen (zie 2.5) dat aan belanghebbende niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt in de beroepsfase. Dit is zo te gevolge van een niet indienen van stukken door de wederpartij bij de rechtbank. Belanghebbende heeft hierdoor niet de kans gehad zich te verweren tegen hetgeen door de heffingsambtenaar is aangevoerd ter zitting van de rechtbank. Er is daarom naar oordeel van het Hof sprake van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor. De klacht van belanghebbende in dezen slaagt.
5.2.
Het hoger beroep is mede gelet op het voorgaande gegrond.

6.(Proces)kosten

Het Hof vindt, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is overwogen, aanleiding voor een veroordeling in de kosten. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor het onderhavige geval zijn de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (artikel 1, aanhef en letter a Besluit proceskosten bestuursrecht; hierna: het Besluit).
Voor de fase van bezwaar bestaat geen recht op een kostenvergoeding aangezien geen sprake is van het herroepen van de bestreden besluiten vanwege een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid (zie art. 7:15 lid 2 Awb). De heffingsambtenaar had er niet op bedacht kunnen zijn dat belanghebbende het verkeerde kenteken opgegeven heeft bij het voldoen van de parkeerbelasting (zie 2.2 tot en met 2.4).
Voor de fase van het beroep bestaat wel recht op een proceskostenvergoeding omdat belanghebbende de beroepsprocedure niet ten volle heeft kunnen benutten door de schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Voor de fase van het hoger beroep dient de heffingsambtenaar eveneens veroordeeld te worden in de kosten van belanghebbende.

7.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de naheffingsaanslag;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten in beroep en hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 1814;
  • gelast de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht ad in totaal € 188 (beroep en hoger beroep) aan belanghebbende te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door mr. N. Djebali, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 14 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: