Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:2874

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 oktober 2025
Publicatiedatum
27 oktober 2025
Zaaknummer
23-001154-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens noodweer bij mishandeling in burenconflict

Op 1 mei 2024 ontstond een conflict tussen het gezin van de verdachte en dat van de benadeelde partij, buren in Hoofddorp, dat escaleerde in fysiek geweld. De verdachte gaf een klap tegen het gezicht van de benadeelde partij, waarbij deze ernstig letsel opliep. De verdachte stelde zich op het standpunt van noodweer, omdat hij zich bedreigd voelde door de benadeelde partij die hem bij de keel greep en de aanwezigheid van een derde persoon met een zwaar voorwerp.

Het hof bekeek camerabeelden van de deurbelcamera en concludeerde dat de verdachte op een rustige wijze probeerde te de-escaleren door de benadeelde partij naar haar woning te bewegen. De benadeelde partij reageerde met duwen en greep de verdachte kort bij de keel. De verdachte sloeg daarop terug en liep vervolgens weg. Het hof oordeelde dat de verdachte handelde uit noodweer tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Hoewel de klap ernstig letsel veroorzaakte, was deze niet disproportioneel gezien de omstandigheden en de dreiging. Het hof vond dat het van de verdachte niet kon worden verlangd zich te onttrekken gezien zijn leeftijd en de situatie. De tenlastelegging van mishandeling werd niet bewezen verklaard en de verdachte werd vrijgesproken.

De benadeelde partij had een schadevergoeding gevorderd, maar deze werd afgewezen omdat de mishandeling niet bewezen was. Het vonnis van de kinderrechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens noodweer bij mishandeling in burenconflict.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001154-25
datum uitspraak: 2 oktober 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 12 mei 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-268716-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 1 mei 2024 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] :
- meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te duwen en/of
- aan de armen, althans het lichaam, vast/tegen te houden en/of
- ( met kracht) in/op het gezicht en/of hoofd , althans het lichaam, te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten twee kaak/aangezichtsfracturen en/of een sensibiliteitsstoornis in de linker bovenlip en/of blijvend oogletsel ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de kinderrechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard aan het hem tenlastegelegde, zonder oplegging van straf of maatregel.

Vrijspraak

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft bekend dat hij de aangeefster, zijn buurvrouw, een klap tegen haar gezicht heeft gegeven. Dat deed hij echter omdat zij hem bij zijn keel vastpakte en hij zich bedreigd voelde, mede doordat de buurman op korte afstand in de naastgelegen tuin stond met een zwaar voorwerp in de hand.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangeefster de verdachte weliswaar heeft geduwd en mogelijk kort bij de keel heeft gepakt, maar dat de verdediging tegen de aanranding niet noodzakelijk was, omdat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken door weg te lopen.
Het hof overweegt als volgt.
Op 1 mei 2024 is een al langer lopend conflict tussen het gezin van de aangeefster en het gezin van de verdachte (directe buren) geëscaleerd in fysiek geweld. Op de terechtzitting in hoger beroep zijn de camerabeelden van de deurbelcamera van de woning van de verdachte en zijn ouders afgespeeld. Daarop is een groot deel van de escalerende situatie te zien. Ook de klap die de verdachte heeft gegeven aan de aangeefster en de aanleiding daarvoor is daarop te zien.
Op basis van de stukken in het dossier en de bewegende beelden kan worden vastgesteld dat vlak voorafgaand aan de klap sprake was van grote consternatie, waarbij door de betrokken volwassenen naar elkaar werd geschreeuwd en gescholden en waartussen blaffende honden losliepen. De verdachte is naar de aangeefster gegaan toen tussen haar en zijn moeder een fysieke confrontatie ontstond. Op enige meters afstand is de partner van de aangeefster te zien met een voorwerp in zijn handen, dat hij boven zijn hoofd houdt. Het hof heeft geconstateerd dat de verdachte de aangeefster op een rustige manier probeert te bewegen om naar haar eigen woning te gaan door haar licht te duwen. De aangeefster reageert daar op door hem terug te duwen. Na over en weer duwen (waarbij de verdachte nog steeds rustig handelt) is zichtbaar dat de handen van de aangeefster zich in de richting van de keel van de verdachte uitstrekken. Het hof acht aannemelijk dat zij hem ook een kort moment bij de keel heeft gepakt, zoals de verdachte heeft verklaard, waarna vrijwel direct de klap van de verdachte volgt, tegen het gezicht van de aangeefster. Daarop loopt de verdachte weg van de aangeefster.
Het hof is van oordeel dat de verdachte onder de geschetste omstandigheden een beroep op noodweer toekomt. Hij reageerde immers op (onmiddellijk dreigend gevaar van) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Daarbij weegt mee dat de verdachte op een rustige manier heeft geprobeerd te interveniëren in een door volwassenen gecreëerde situatie van volledige ontsporing van het conflict, dat de klap wordt gegeven op het moment dat de aangeefster verder dreigt te gaan dan alleen duwen, alsmede dat de partner van de aangeefster op dat moment ook dreigend aanwezig is. Hoewel de gevolgen van de klap gelet op het blijvende letsel bij de aangeefster kennelijk erg ongelukkig hebben uitgepakt, was de klap zelf naar het oordeel van het hof in verhouding tot met name het handelen van aangeefster niet disproportioneel. De verdachte was verder feitelijk wel in staat om zich te onttrekken, maar naar het oordeel van het hof kon dit van hem op dat moment en in de geschetste omstandigheden niet worden gevergd, waarbij het hof mede heeft gelet op zijn leeftijd.
Dit alles brengt met zich dat de wederrechtelijkheid van de ten laste gelegde mishandeling niet kan worden bewezen. Dat betekent dan ook dat de verdachte moet worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.092,20. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.092,20. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. C.J. van der Wilt en mr. P.J. van Eekeren, in tegenwoordigheid van
mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
2 oktober 2025.
Mr P.J. van Eekeren is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.