Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:285

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2025
Publicatiedatum
4 februari 2025
Zaaknummer
200.341.726/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 217 RvArt. 24 lid 1 Verordening (EU) nr. 1215/2012Art. 7 lid 2 RvArt. 11 RvArt. 9 sub a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid en voeging in hoger beroep inzake appartementsrecht verdeeld tussen partijen

In deze civiele zaak in hoger beroep staat de vraag centraal of het hof bevoegd is om kennis te nemen van een incidentele vordering tot voeging van een derde partij, [appellant], aan de zijde van [geïntimeerde 1]. De zaak betreft een geschil tussen twee partijen die samen aandelen houden in een rechtspersoon en gezamenlijk een appartementsrecht in Nederland bezitten. De rechtbank had eerder bepaald dat het appartement verkocht moet worden en de opbrengst gelijkelijk verdeeld.

Het hof stelt vast dat de Nederlandse rechter exclusief bevoegd is voor vorderingen met betrekking tot het in Nederland gelegen appartementsrecht, en dat de vordering tot voeging voldoende samenhang vertoont met de hoofdzaak. Het belang van [appellant] bij voeging is aannemelijk gemaakt, omdat zij economisch eigenaar is van het appartement en nadelige gevolgen kan ondervinden van een ongunstige uitspraak voor [geïntimeerde 1].

De vordering tot voeging wordt toegewezen, ondanks het verweer van [geïntimeerde 2] dat voeging de procedure onnodig zou vertragen. Het hof verwijst de zaak naar de rol voor verdere memorie-uitwisseling en houdt beslissingen over proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot voeging van [appellant] aan de zijde van [geïntimeerde 1] toe en verklaart zich bevoegd kennis te nemen van deze vordering.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.341.726/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/735983/ HA ZA 23-615
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 februari 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar Surinaams recht
[appellant] N.V.,
gevestigd te [plaats 1] (Suriname),
eiseres in het voegingsincident,
verweerster in het bevoegdheidsincident,
advocaat: mr. A.J.F. Gonesh te Den Haag,
tegen
[geïntimeerde 1] ,
wonend te [plaats 1] (Suriname),
appellant in de hoofdzaak,
verweerder in de incidenten,
advocaat: mr. A.J.F. Gonesh te Den Haag,
en
[geïntimeerde 2] ,
wonend te [plaats 1] (Suriname),
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het voegingsincident,
eiseres in het bevoegdheidsincident,
advocaat: mr. M.D. Winter te Den Haag.
Partijen worden hierna [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[geïntimeerde 1] is bij dagvaarding van 13 mei 2024 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 6 maart 2024 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde 2] als eiseres en [geïntimeerde 1] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven in de hoofdzaak, met producties, van [geïntimeerde 1] ;
- incidentele memorie tot voeging ex artikel 217 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan de zijde van [geïntimeerde 1] , met productie, van [appellant] ;
- akte ter rolle tot referte ter zake van het voegingsincident, van [geïntimeerde 1] ;
- memorie van antwoord in het voegingsincident tevens incidentele memorie houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties, van [geïntimeerde 2] .
- memorie van antwoord in het bevoegdheidsincident, van [appellant] .
[appellant] heeft incidenteel gevorderd dat zij als gevoegde partij aan de zijde van [geïntimeerde 1] zal worden toegelaten in de hoofdzaak, kosten rechtens.
[geïntimeerde 2] heeft incidenteel gevorderd dat het hof zich onbevoegd zal verklaren van de incidentele vordering tot voeging van [appellant] kennis te nemen, althans [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidentele vordering en daarnaast geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering van [appellant] , alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.
[appellant] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering van [geïntimeerde 2] tot onbevoegdverklaring, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde 2] in de kosten van het bevoegdheidsincident en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
[geïntimeerde 1] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof in het voegingsincident en heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om een memorie van antwoord in het bevoegdheidsincident in te dienen.
Ten slotte is arrest in de incidenten nader bepaald op heden.

2.De beoordeling

In de incidenten
2.1
Samengevat en voor zover van belang gaat het in de incidenten om het volgende. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , beiden woonachtig in Suriname, hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij houden samen de aandelen van [appellant] en hebben op 20 oktober 2016 een registergoed te [plaats 2] , Nederland, bestaande uit een appartementsrecht met parkeerplaats (hierna: het appartement), geleverd gekregen. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de wijze van verdeling van het registergoed gelast en daartoe bepaald dat het wordt verkocht aan (een) derde(n), partijen hun medewerking dienen te verlenen aan de verkoop en levering aan de kopers, en de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld.
Het hoger beroep van [geïntimeerde 1] strekt tot toedeling en levering van het appartement aan [appellant] , althans aan hem, zonder dat aan [geïntimeerde 2] enige vergoeding hoeft te worden betaald, althans onder bepaling dat de netto-overwaarde van [geïntimeerde 2] wordt bepaald met inachtneming respectievelijk verrekening van het aandeel van [geïntimeerde 2] in een schuld aan [appellant] .
Bevoegdheidsincident
2.2
Op grond van artikel 24 lid 1 Verordening Pro (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 (Verordening brussel I-bis) is de Nederlandse rechter, ongeacht de woonplaats van partijen, bij uitsluiting bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van [geïntimeerde 2] in de hoofdzaak voor zover deze betrekking hebben op het in Nederland gelegen registergoed (het appartementsrecht en de parkeerplaats).
Voor zover de vorderingen – indien aan de orde in hoger beroep – andere onderwerpen aan de orde stellen, geldt dat [geïntimeerde 1] is verschenen zonder de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te betwisten, zodat de rechtbank zich terecht bevoegd heeft geacht om van de vorderingen kennis te nemen (artikel 11 en Pro 9 sub a Rv). Op grond van artikel 7 lid 2 Rv Pro komt aan de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe ten aanzien van een vordering tot voeging, tenzij tussen deze vordering en de oorspronkelijke vordering onvoldoende samenhang bestaat. Dat laatste is in deze zaak niet het geval. Gelet hierop acht het hof zich bevoegd van de incidentele vordering van [appellant] kennis te nemen en komt het hof toe aan een inhoudelijke beoordeling daarvan.
Voegingsincident
2.3
Een derde die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding kan op grond van artikel 217 Rv Pro vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een belang bij voeging, waarbij de derde zich aan de zijde van een van de partijen voegt en toewijzing of afwijzing van haar vordering in de hoofdzaak beoogt, is voldoende dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridisch gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in de procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van de in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert
2.4
[appellant] heeft gesteld dat zij belang heeft bij voeging aan de zijde van [geïntimeerde 1] , omdat zij ‘economisch’ eigenaar is van het appartement, althans het appartement is met behulp van investeringen van [appellant] door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in juridische zin verworven en behouden. Als het appartement wordt overgedragen aan een derde, zal [appellant] , zodra de lopende huurovereenkomst eindigt, niet meer in staat zijn het appartement winstgevend te exploiteren. Verder lijdt [appellant] schade als [geïntimeerde 2] de helft van de netto-verkoopopbrengst ontvangt, aangezien in dat geval [appellant] haar investeringen in het appartement niet terugbetaald krijgt en [geïntimeerde 2] ten koste van [appellant] ongerechtvaardigd wordt verrijkt. [appellant] heeft er bovendien belang bij dat beslissingen die het hof in de hoofdzaak neemt, ook ten aanzien van [appellant] gezag van gewijsde krijgen.
2.5
Uit hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is voldoende gebleken dat zij, in verband met nadelige gevolgen die een uitspraak in hoger beroep tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voor haar kan hebben, voldoende belang heeft bij voeging in de onderhavige procedure aan de zijde van de [geïntimeerde 1] . Niet uitgesloten is dat een voor [geïntimeerde 1] negatieve uitkomst van de procedure nadelige gevolgen heeft voor de (financiële) aanspraken die [appellant] met betrekking tot het appartement stelt te hebben. In dit verband merkt het hof nog op dat voor toewijzing van de incidentele vordering tot voeging het voormelde door [appellant] gestelde belang voldoende is. Hetgeen [geïntimeerde 2] aanvoert neemt het belang van [appellant] bij voeging aan de zijde van [geïntimeerde 1] niet weg en staat niet in de weg aan toewijzing van de incidentele vordering. In de hoofdzaak dienen de volgens [geïntimeerde 2] niet steekhoudende argumenten van [appellant] met betrekking tot het eigendomsrecht van het appartement te worden beoordeeld.
2.6
Het betoog van [geïntimeerde 2] dat de vordering van [appellant] als strijdig met de goede procesorde moet worden afgewezen omdat de procedure hierdoor onnodig wordt vertraagd, gaat niet op. Voeging strekt ertoe dat een derde zich mengt in het processuele debat van partijen. Daarmee zal in het algemeen tijd zijn gemoeid. Een in beginsel toewijsbare vordering tot voeging kan dan ook niet - behoudens bijzondere omstandigheden, die door [geïntimeerde 2] niet zijn gesteld - wegens strijd met de eisen van een goede procesorde worden afgewezen op de enkele grond dat de procedure in de hoofdzaak als gevolg van de voeging wordt vertraagd (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768).
In beide incidenten
2.7
Een oordeel over de kosten van de incidenten zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
2.8
Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor een memorie aan de zijde van [appellant] . Daarna zal [geïntimeerde 2] een memorie van antwoord kunnen nemen in de hoofdzaak waarin zij ook kan reageren op de memorie van [appellant] .

3.Beslissing

Het hof:
in het bevoegdheidsincident
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in het voegingincident
staat [appellant] toe zich in de onderhavige procedure tussen [geïntimeerde 1] als appellant en [geïntimeerde 2] als geïntimeerde te voegen aan de zijde van [geïntimeerde 1] ;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 18 maart 2025 voor een memorie aan de zijde van [appellant] ;
bepaalt dat [geïntimeerde 2] daarna een memorie van antwoord zal nemen waarin zij ook kan reageren op de memorie van [appellant] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, J.W.M. Tromp en M.C. Bosch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025