ECLI:NL:GHAMS:2025:2611
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afgewezen tegen niet-ontvankelijkheid verzoek tot vergoeding na voorwaardelijk sepot
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland die appellant niet-ontvankelijk verklaarde in zijn verzoek tot vergoeding van schade en kosten na een voorwaardelijk sepot op 10 juni 2024. De rechtbank baseerde haar beslissing op een onjuiste datum van sepot en mededeling, waardoor het verzoek te vroeg was ingediend.
Het hof stelde vast dat het sepot daadwerkelijk op 10 juni 2024 plaatsvond met een proeftijd van één jaar, waardoor de zaak pas op 11 juli 2025 eindigde. Het verzoekschrift was echter al op 22 juli 2024 ingediend, dus te vroeg. Ondanks dat appellant zich praktisch had opgesteld en het verzoek had willen intrekken, ontving hij geen reactie van de rechtbank en trok hij het verzoek niet in.
Het hof bevestigde de niet-ontvankelijkheid van het verzoek onder a en b en wees ook het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand in hoger beroep af, omdat het voor appellant duidelijk had moeten zijn dat het hoger beroep zou worden afgewezen. De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 september 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot vergoeding wordt afgewezen en het verzoek tot kostenvergoeding wordt eveneens afgewezen.