Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:2611

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
30 september 2025
Zaaknummer
000253-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen tegen niet-ontvankelijkheid verzoek tot vergoeding na voorwaardelijk sepot

De zaak betreft een hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland die appellant niet-ontvankelijk verklaarde in zijn verzoek tot vergoeding van schade en kosten na een voorwaardelijk sepot op 10 juni 2024. De rechtbank baseerde haar beslissing op een onjuiste datum van sepot en mededeling, waardoor het verzoek te vroeg was ingediend.

Het hof stelde vast dat het sepot daadwerkelijk op 10 juni 2024 plaatsvond met een proeftijd van één jaar, waardoor de zaak pas op 11 juli 2025 eindigde. Het verzoekschrift was echter al op 22 juli 2024 ingediend, dus te vroeg. Ondanks dat appellant zich praktisch had opgesteld en het verzoek had willen intrekken, ontving hij geen reactie van de rechtbank en trok hij het verzoek niet in.

Het hof bevestigde de niet-ontvankelijkheid van het verzoek onder a en b en wees ook het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand in hoger beroep af, omdat het voor appellant duidelijk had moeten zijn dat het hoger beroep zou worden afgewezen. De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 september 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot vergoeding wordt afgewezen en het verzoek tot kostenvergoeding wordt eveneens afgewezen.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000253-25 (530 Sv) en 000254-25 (533 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 15-036156-24
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2025 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. R. van den Berg,
Gedempte Oude Gracht 35, 2011 GL Haarlem.

1.Procesverloop

De zaak tegen appellant met parketnummer 15-036156-24 is op 10 juni 2024 voorwaardelijk geseponeerd met een proeftijd voor de duur van één jaar.
De sepotbeslissing is op diezelfde dag aan appellant betekend.
Op 22 juli 2024 is het verzoekschrift bij de griffie van de rechtbank Noord-Holland ingekomen.
Op 29 november 2024 heeft de griffie van de rechtbank laten weten dat het verzoek eerst na beëindiging van de zaak kan worden gedaan.
Op 31 januari 2025 is appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.
Het hoger beroep is op 25 februari 2025 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Het standpunt van de advocaat-generaal van 30 juli 2025 is bij het hof ingekomen.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 9 september 2025 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep met het verzoek onder c - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 130,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00.
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.

3.Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
De rechtbank heeft appellant niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek onder a en b, omdat het verzoek niet tijdig zou zijn ingediend.
Het hof stelt vast dat de rechtbank in deze beslissing van een onjuiste sepotbeslissing en datum van mededeling (8 april 2024) is uitgegaan.
Uit het dossier blijkt dat de zaak tegen appellant – tijdens een OM hoorzitting - op 10 juni 2024 voorwaardelijk is geseponeerd met een proeftijd voor de duur van één jaar te rekenen vanaf de dag van de betekening. De zaak is daarmee eerst op 11 juli 2025 geëindigd in de zin van artikel 533 Sv Pro. Het verzoek is eerder, namelijk op 22 juli 2024 bij de griffie van de rechtbank ingekomen. Gelet op het voorgaande dient appellant op die grond niet-ontvankelijk in het verzoek te worden verklaard.
Bij e-mail van de griffie van de rechtbank van 29 november 2024 is de advocaat er op gewezen dat het verzoek te vroeg was ingediend. De advocaat van appellant heeft daarop per e-mail gereageerd en de rechtbank/griffie laten weten dat de rechtspraak op dit punt niet eenduidig is. Gevallen zouden bestaan waarin de zaak -zo begrijpt het hof- wel als geëindigd zou zijn beschouwd en in andere gevallen zou het verzoek zijn aangehouden tot na einde van de proeftijd. Appellant zou zich praktisch hebben opgesteld en het verzoek hebben willen intrekken als de rechtbank op voorhand had laten weten welke lijn het zou aanhouden. Het hof begrijpt dat appellant op deze e-mail geen antwoord heeft ontvangen, het verzoek ook niet heeft ingetrokken. Op 31 januari 2025 is door de rechtbank op het verzoek beslist.
Het hof ziet in deze gang van zaken geen aanleiding anders te oordelen over de niet-ontvankelijkheid.
Nu de beslissing tot niet-ontvankelijkheid in stand kan blijven, zal het hoger beroep worden afgewezen in die zin dat de oorspronkelijk motivering wordt vervangen door het vorenstaande.
Een verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure in appel wordt niet vanzelfsprekend afgewezen omdat het appel wordt afgewezen. Een dergelijk verzoek moet eveneens worden beoordeeld op gronden van billijkheid. Die ontbreken onder meer indien het appellant, bijgestaan door een advocaat, rechtstreeks uit de wet of uit bestendige gepubliceerde jurisprudentie volstrekt duidelijk had moeten zijn dat het appel zou worden afgewezen. In het onderhavige geval is hiervan sprake en zal het hof het verzoek onder c afwijzen.

4.Beslissing

Het hof:
Wijst het hoger beroep af ten aanzien van het verzoek onder a en b, met inachtneming van het vorenstaande.
Wijst het verzochte onder c af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, M.M.H.P. Houben en N.A. Schimmel, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 30 september 2025.