Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
€ 2.428,00(tarief II, 2 punten)
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak vordert de verhuurder de beëindiging van een huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik, met het oog op een noodzakelijke renovatie en uitbreiding van de woning. De huurder, die de woning al sinds 1980 huurt, stemt niet in met de beëindiging. De kantonrechter wees de vordering af, en het hof bekrachtigt dit oordeel.
De verhuurder baseert haar vordering op artikel 7:274 lid 1 sub c BW Pro, stellende dat een structurele wanverhouding bestaat tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten, waardoor de renovatie noodzakelijk is. Ter onderbouwing overlegt zij een rendementsberekening waaruit een aanzienlijk verlies blijkt. Het hof oordeelt echter dat deze berekening onvoldoende is onderbouwd en dat de verhuurder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de woning zo dringend nodig is voor eigen gebruik dat voortzetting van de huurovereenkomst niet kan worden verlangd.
Het hof benadrukt dat beëindiging op grond van dringend eigen gebruik niet lichtvaardig mag worden toegekend, mede vanwege de bescherming van de huurder. De vorderingen van de verhuurder worden daarom afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.