Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Hoorplicht
5.Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Nu belanghebbende niet aannemelijk maakt dat er beleid voor haar situatie bestaat, kan zij zich daarop niet beroepen. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt ook. Het Hof acht de situatie zoals de onderhavige waarin met een vergunning wordt geparkeerd en door belanghebbende geen betalingshandelingen meer uitgevoerd hoefden te worden niet vergelijkbaar met de situatie waarin wel betalingshandelingen te verrichten zijn.
ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze”. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft fiscale parkeerplaatsen aangewezen in het ‘Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [Z] houdende regels omtrent parkeren op straatniveau, zoals de bloktijden, parkeerduurbeperkingen en 10-centzones’. In artikel 11 van Pro laatstgenoemde besluit wordt verwezen naar de stratentabel, waarin de [straat 1] is vermeld.
Het Hof overweegt verder dat belanghebbende zelf een onderzoeksplicht heeft, maar er bovendien van op de hoogte moet zijn geweest dat in deze zone parkeerbelasting verschuldigd is. Belanghebbende heeft geparkeerd in een drukke winkelstraat in [Z] in de buurt van haar huis. Belanghebbende heeft bovendien een vergunning om te parkeren in die parkeerzone tussen bepaalde tijdstippen; het kan niet anders dan dat zij heeft geweten van de aan haar vergunning verbonden voorwaarden. Deze wetenschap blijkt ook al uit het feit aan haar al eerder een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd in dezelfde parkeerzone.
De heffingsambtenaar heeft zich onder deze omstandigheden voldoende ingespannen om een hoorzitting te laten plaatsvinden. Het is aan belanghebbende (en haar gemachtigde) zelf te wijten dat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Het hoorrecht is aldus niet geschonden en er is dus geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de heffingsambtenaar.
andererechtbank niet mogelijk; artikel 8:115 Awb Pro).
7.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.