Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:1759

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2025
Publicatiedatum
8 juli 2025
Zaaknummer
200.354.864
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15b FwArt. 284 lid 2 FwArt. 2 FwArt. 1:10 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechtbank Amsterdam bij verzoek tot omzetting faillissement naar wettelijke schuldsaneringsregeling

De rechtbank Amsterdam had zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek van appellant tot opheffing van zijn faillissement met toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk woonplaats heeft in Nederland, meer specifiek in Amsterdam, en dat de rechtbank daarom wel bevoegd is.

Het hof heeft het beroepschrift, het dossier van de rechtbank en het verslag van de curator bestudeerd en oordeelde dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn woonplaats in Amsterdam is. Dit ondanks dat zijn echtgenote en kinderen in een andere plaats wonen en hij hen regelmatig bezoekt. Appellant huurt een kamer in Amsterdam, staat daar ingeschreven, verblijft er gemiddeld 16 dagen per maand en heeft Nederlandse zorgverzekering, huisarts en tandarts.

De curator steunde het verzoek en bevestigde dat appellant in Nederland belastingaangifte doet. Het hof concludeerde dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is en vernietigde het vonnis van onbevoegdheid. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam is bevoegd kennis te nemen van het verzoek tot omzetting van het faillissement naar de wettelijke schuldsaneringsregeling; het vonnis van onbevoegdheid wordt vernietigd en de zaak terugverwezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.354.864/01
zaak-/rekestnummer rechtbank : C/13/716941 / FT RK 22.314
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 juni 2025
in de zaak van
[appellant] ,
ingeschreven en - naar eigen zeggen - wonende te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. H. Reitsma te Amsterdam.
Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij op 20 mei 2025 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift, met bijlagen, in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2025 waarbij de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van het verzoek van [appellant] tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 17 juni 2025. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Reitsma voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd. Daarnaast is verschenen de curator in het faillissement van [appellant] , mr. M. van Bommel, advocaat te Amsterdam (hierna: de curator).
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift, met bijlagen, het dossier van de rechtbank waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, en het verslag van de curator van 16 juni 2025, met bijlagen, waaronder het openbaar verslag van 30 mei 2025. [appellant] en de curator hebben verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.

2.Beoordeling

2.1.
[appellant] verzoekt in hoger beroep het hof het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen, en daarvoor de zaak terug te wijzen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing, althans dat het hof alsnog het faillissement van [appellant] opheft onder het gelijktijdig van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling met benoeming van de curator tot bewindvoerder. Daartoe heeft [appellant] - samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft de feiten onjuist vastgesteld of weergegeven en ten onrechte geoordeeld dat [appellant] geen woonplaats in Nederland heeft. [appellant] heeft, anders dan in het proces-verbaal van de zitting van 9 mei 2025 staat, niet verklaard in [plaats 2] te wonen. Zijn echtgenote is Engelse en woont in [plaats 2] . Zijn oudste kind gaat daar naar school en zijn jongste kind woont daar ook. [appellant] staat zelf ingeschreven op een adres in [plaats 1] en woont daar ook. Hij huurt een kamer van een vriend en verblijft daar regelmatig. In verband met zijn beperkte vrij te laten inkomen voldoet de moeder van [appellant] de maandelijkse huur. De curator heeft met [appellant] de werkafspraak gemaakt dat hij in [plaats 2] mag zijn wanneer hij wil. [appellant] hoeft zijn
whereaboutsniet op te geven en/of geen toestemming te vragen om te reizen. Het overwegende deel van zijn activiteiten ligt nog steeds grotendeels in Nederland, en daarmee ook het centrum van zijn hoofdactiviteiten. Naar schatting speelt 75% van zijn dagelijkse werk zich af in of vanuit zijn kantoor op Schiphol. Eens in de twee weken bezoekt [appellant] zijn moeder in Assen en zijn verstandelijk gehandicapte zus in [plaats 3] . Hij heeft een Nederlandse zorgverzekering bij Zilveren Kruis, staat ingeschreven bij Huisartsenpraktijk Spaarndammerbuurt in [plaats 1] en heeft uitsluitend een Nederlandse tandarts. Daarnaast doet [appellant] in Nederland aangifte voor de inkomstenbelasting en bezit hij een Nederlandse bankrekening bij Bunq. Verder zijn alle schuldeisers Nederlandse partijen, aldus steeds [appellant] .
2.2.
De curator ondersteunt het verzoek van [appellant] en adviseert het hof het bestreden vonnis te vernietigen.
2.3.
Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 15b jo. 284 lid 2 Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek als het onderhavige behandeld door de rechtbank aangewezen in artikel 2 Fw Pro. Uit artikel 2 Fw Pro volgt dat bevoegd is de rechtbank van de woonplaats van de schuldenaar. In artikel 1:10 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt te zijner woonstede en, bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Met het woord ‘woonstede’ wordt tot uitdrukking gebracht dat een woning is bedoeld, waar iemand werkelijk woont.
2.4.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is genoegzaam gebleken dat [appellant] zijn woonplaats heeft in [plaats 1] , ondanks dat zijn echtgenote en twee kinderen in [plaats 2] wonen en [appellant] hen regelmatig bezoekt. Daartoe is het volgende redengevend. [appellant] huurt een kamer op het adres [straat] [nummer] te [plaats 1] , op welk adres hij staat ingeschreven. Dit blijkt uit een huurovereenkomst van 1 mei 2022 die voor een periode van zes maanden is aangegaan, en een daarop gevolgde huurovereenkomst van 7 november 2022 die voor onbepaalde tijd is aangegaan. Van deze woonruimte heeft [appellant] foto’s overgelegd en een verklaring van de verhuurder ingebracht waarin het daadwerkelijk bestaan van de genoemde huurovereenkomst wordt bevestigd alsmede dat [appellant] gemiddeld 16 dagen per maand in de genoemde woning verblijft. Voorts is gebleken dat [appellant] een Nederlandse zorgverzekering heeft, dat hij is ingeschreven bij een huisartsenpraktijk in [plaats 1] en dat hij een Nederlandse tandarts heeft. Daarbij komt dat uit de verklaring van zijn werkgever ( [bedrijf] te [plaats 1] ) volgt dat [appellant] voor het merendeel van de tijd zich in Nederland bevindt ten behoeve van zijn werk. Verder acht het hof van belang dat de curator zowel in haar verslag van 16 juni 2025 als ter zitting in hoger beroep het voorgaande heeft bevestigd en desgevraagd heeft verklaard dat zij heeft gezien dat [appellant] in de afgelopen jaren aangifte heeft gedaan voor de inkomstenbelasting in Nederland. Nu [appellant] woonplaats heeft in [plaats 1] , is de rechtbank Amsterdam bevoegd kennis te nemen van het verzoek van [appellant] .
2.5.
De rechtbank heeft zich derhalve ten onrechte onbevoegd verklaard. Het hof zal - in aanmerking genomen HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:97, waarin voor een geval als het onderhavige een uitzondering is gemaakt op de regel dat de hogere rechter in geval van een andersluidend oordeel de zaak toch aan zich moet houden - de zaak terugwijzen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
3. Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:
- bepaalt dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is kennis te nemen van het verzoek van [appellant] tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, K. van [appellant] en R.J.Q. Klomp en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.