Uitspraak
1.Het beklag
in beginselschuldig zou hebben gemaakt aan groepsbelediging) te herzien dan wel dat zelfstandig te doen bij beschikking.
Gerechtshof Amsterdam
Klaagster diende een beklag in tegen het sepotbesluit van het openbaar ministerie waarin werd besloten haar niet te vervolgen voor groepsbelediging volgens artikel 137c Sr. Het OM stelde dat vervolging werd belemmerd door artikel 10 EVRM Pro, ondanks dat klaagster zich in beginsel schuldig zou hebben gemaakt aan groepsbelediging.
Klaagster wilde met haar beklag haar onschuld aantonen en verzocht het hof het OM te dwingen de kwalificatie van groepsbelediging te herzien of zelfstandig te vervolgen. De advocaat-generaal adviseerde het hof klaagster niet-ontvankelijk te verklaren, omdat zij geen persoonlijk, objectief bepaalbaar belang heeft en het relativiteitsvereiste niet is vervuld.
Het hof oordeelde dat alleen rechtstreeks belanghebbenden in uitzonderlijke gevallen zelf vervolging kunnen verzoeken en dat klaagster niet tot die uitzonderingen behoort. Bovendien was in een eerdere, gepubliceerde uitspraak reeds geoordeeld dat de uitlatingen mogelijk niet onnodig grievend zijn, waardoor het doel van klaagster met het beklag is bereikt.
Daarom wees het hof het beklag af en verklaarde klaagster niet-ontvankelijk, waarmee de procedure werd gesloten zonder verdere rechtsmiddelen.
Uitkomst: Klaagster is niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag tegen het sepotbesluit wegens gebrek aan rechtstreeks belang.