ECLI:NL:GHAMS:2025:117

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2025
Publicatiedatum
21 januari 2025
Zaaknummer
200.339.842/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging koopwoningontbinding en schadevergoeding

In deze zaak heeft appellant de woning van geïntimeerde gekocht maar is zij haar verplichtingen uit de koopovereenkomst niet nagekomen. Geïntimeerde heeft daarop de koop ontbonden, de contractuele boete van €35.500,- geïnd en een aanvullende schadevergoeding van €27.838,74 gevorderd. De rechtbank heeft appellant veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard zonder motivering.

Appellant vorderde schorsing van de tenuitvoerlegging op grond van het ontbreken van motivering bij de uitvoerbaarverklaring en het onevenredige karakter van de aanvullende schadevergoeding ten opzichte van de WOZ-waarde van een woning waarop beslag is gelegd. Het hof overwoog dat de uitvoerbaarheid van een veroordeling tijdens hoger beroep het uitgangspunt is en dat schorsing alleen kan worden toegewezen bij een kennelijke misslag of zwaarder belang van appellant.

Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het belang bij schorsing zwaarder weegt dan het belang van geïntimeerde bij onmiddellijke tenuitvoerlegging. De stellingen van appellant over de hoogte van de schadevergoeding en de motivering van de uitvoerbaarverklaring zijn onvoldoende om een kennelijke misslag aan te nemen. Ook de zekerheid die beslag op de woning biedt, weegt mee in het nadeel van appellant.

De incidentele vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord van geïntimeerde.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt afgewezen en de hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.339.842/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/347847/HA ZA 24-19
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 januari 2025
in de zaak van
[appellant],
wonende te [plaats] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. K.G.O. Afriyieh te Haarlem,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [plaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. B.P. van Overeem te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding, met bijlagen, van 4 april 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 20 maart 2024 van de rechtbank Noord-Holland (locatie: Haarlem), onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde.
De dagvaarding bevat de grieven en een incidentele vordering strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op de voet van artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) totdat in hoger beroep is beslist.
De zaak is aangebracht op de rol van 23 april 2024. Op deze datum heeft [appellant] overeenkomstig voormeld exploot geconcludeerd en genoemde bijlagen in het geding gebracht.
[geïntimeerde] heeft daarop een antwoordakte incidentele vordering genomen en geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 5 december 2024 laten toelichten. [appellant] door mr. Afriyieh voornoemd en [geïntimeerde] door mr. Van Overeem voornoemd.
Ten slotte is arrest gevraagd in het incident.

2.Beoordeling

2.1.
Kort gezegd en voor zover in het incident van belang kan van het volgende worden uitgegaan. [appellant] heeft de woning van [geïntimeerde] aan [straat 1] te [plaats] gekocht. [appellant] is de verplichtingen uit die koopovereenkomst niet nagekomen. [geïntimeerde] heeft de koopovereenkomst daarom ontbonden, de door [appellant] verschuldigde boete van
€ 35.500,- geïnd en van [appellant] een aanvullende schadevergoeding gevorderd van
€ 27.838,74. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van dat bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente en [appellant] veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de kosten van betekening. De rechtbank heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad is niet gemotiveerd.
2.2.
Kort gezegd heeft [appellant] ter onderbouwing van haar incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging het volgende gesteld. [appellant] heeft belang bij de gevorderde schorsing. [appellant] heeft al een bedrag van € 35.500,- voldaan, namelijk 10% van de koopsom. Ook heeft [geïntimeerde] beslag gelegd op de woning van [appellant] aan [straat 2] te [plaats] (hierna: [straat 2] ). Het bedrag van € 27.838,74 dat [appellant] als aanvullende schadevergoeding dient te voldoen, staat in geen verhouding tot de WOZ-waarde van € 377.000,- van deze woning. [straat 2] biedt per definitie zekerheid tot nakoming zodra een arrest in het nadeel van [appellant] wordt gewezen. Daarnaast vormt het feit dat de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet is gemotiveerd een reden tot schorsing, aldus [appellant] .
2.3.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Voor zover van belang zal dat hierna aan de orde komen.
2.4.
Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, waarin over de uitvoerbaarheid bij voorraad ongemotiveerd is beslist, stelt het hof het volgende voorop (vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
2.5.
Voor zover [appellant] haar incidentele vordering baseert op inhoudelijke bezwaren tegen het bestreden vonnis, bijvoorbeeld voor wat betreft de door [appellant] aangehaalde hoogte van de aanvullende schadevergoeding die in geen verhouding staat tot de WOZ-waarde van [straat 2] , kan het hof daarop in het kader van dit incident niet ingaan. Op het oordeel in de hoofdzaak kan immers niet worden vooruitgelopen. De stellingen van [appellant] leiden verder niet tot het oordeel dat het bestreden vonnis op een kennelijke misslag berust. Daarvoor is ten minste vereist dat dit ‘klaarblijkelijk’ het geval is, dat wil zeggen dat reeds op het eerste gezicht, dus zonder relevant nader feitelijk of juridisch onderzoek, zonder meer duidelijk is dat een feitelijk of juridisch oordeel in een bepaalde rechtsoverweging onjuist is. Dat dit in deze zaak het geval is, is niet gebleken. Voor verdere beoordeling van de juistheid van de overwegingen van de rechtbank is in dit incident geen plaats.
De stelling van [appellant] dat haar vordering tot schorsing moet worden toegewezen reeds omdat in het bestreden vonnis de beslissing tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet is gemotiveerd, stuit af op de hiervoor weergegeven maatstaf.
2.6.
De uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling betreft de betaling van een geldsom. Daarmee is het belang van [geïntimeerde] bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging in beginsel gegeven. Ook heeft [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep gesteld dat zij, doordat de koop met [appellant] niet doorging, een extra lening heeft moeten afsluiten ten behoeve van de aanschaf van haar nieuwe woning en de aanvullende schadevergoeding wil aanwenden om deze extra maandelijkse lasten te voldoen.
2.7.
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende gesteld en onderbouwd dat haar belangen bij behoud van de bestaande toestand hangende het hoger beroep zwaarder wegen dan het belang van [geïntimeerde] bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.
Dat [appellant] reeds een contractuele boete van € 35.500,- heeft voldaan, is geen te respecteren belang dat in het kader van de hier aan de orde zijnde belangenafweging kan worden meegewogen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [geïntimeerde] zekerheid heeft voor de nakoming doordat zij beslag heeft gelegd op [straat 2] .
Het hof begrijpt de stelling dat de WOZ-waarde van [straat 2] veel hoger is dan de toegewezen aanvullende schadevergoeding aldus dat een executoriale verkoop van [straat 2] volgens [appellant] niet gerechtvaardigd is. [appellant] heeft echter onvoldoende gesteld dat zij niet op andere wijze dan door middel van verkoop van [straat 2] kan voldoen aan de veroordeling tot betaling van aanvullende schadevergoeding. Namens [appellant] is ter zitting in hoger beroep nog aangevoerd dat de dochter van [appellant] één keer per maand ongeveer een week in [straat 2] verblijft om voor [appellant] te kunnen zorgen. [appellant] heeft evenwel niet gemotiveerd gesteld dat haar dochter niet elders kan verblijven om voor haar te zorgen. Het enkele feit dat er in de woning van [appellant] aan [straat 1] 130 te [plaats] geen plaats is voor haar dochter, is daartoe onvoldoende.
2.8.
De incidentele vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging zal dan ook worden afgewezen.
2.9.
Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
2.10.
In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor memorie van antwoord door [geïntimeerde] .

3.Beslissing

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 4 maart 2025 voor memorie van antwoord door [geïntimeerde] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. van der Werff, E.J. Bellaart en K. van Dijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025.