Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2]
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De beoordeling
primaireen bevel de schutting te plaatsen op de kadastrale erfgrens of op het perceel van [geïntimeerde 1] zoals uitgemeten en aangegeven door [Naam] met paaltjes
subsidiaireen veroordeling tot betaling van een vergoeding ter hoogte van € 2.745,00 aan [appellant 1] voor het terugplaatsen van de schutting op de juridische erfgrens;
primaireen bevel tot plaatsing van de toegangspoort aan de achterzijde van het perceel van [appellant 1] tegen de nieuw te plaatsen schutting;
eerste griefis ertegen gericht dat de rechtbank geen rechtsgevolg heeft verbonden aan het beroep van [appellant 1] op verjaring. [appellant 1] heeft ter zake aangevoerd dat de coniferenhaag de percelen van partijen scheidt sinds april 1988 tot het moment van verwijdering in 2019 en toen plaats heeft gemaakt voor een schutting op dezelfde plek in het verlengde van de perceel scheidende muur van de (garage)uitbouw van [appellant 1] . De coniferenhaag heeft er dus meer dan twintig jaar gestaan, aldus [appellant 1] .
tweede en derde griefzijn gericht tegen de afwijzing van de vorderingen van [appellant 1] en zijn veroordeling in de proceskosten. Zij volgen het lot van de eerste grief en hebben geen nadere zelfstandige betekenis.