Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
in het incidentdat het hof op de voet van artikel 351 Rv Pro de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zal schorsen tot daarop, naar het hof begrijpt, in dit hoger beroep is beslist en
in de hoofdzaakgeconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, zo begrijpt het hof, alsnog de vordering van Stichting perMens zal afwijzen en Stichting perMens zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen de bewindvoerder ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan, vermeerderd met wettelijke rente, met veroordeling van Stichting perMens in de kosten van beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.
in het incidentgeconcludeerd tot afwijzing van de vordering en
in de hoofdzaaktot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van het hoger beroep en het incident, met nakosten.
3.De feiten
grieven 1 en 2betreffen deze feiten, maar weerspreken slechts concreet het aanvangsjaar van de begeleiding van [X] door Stichting perMens. Daarmee hieronder rekening houdend, zal het hof verder uitgaan van de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten. Bij de beoordeling van de zaak zal het hof terugkomen op hetgeen de bewindvoerder in deze grieven verder nog heeft opgeworpen. De feiten, aangevuld met andere relevante feiten die in hoger beroep aannemelijk zijn geworden, zijn de volgende.
4.De beoordeling
grieven 1 tot en met 5heeft de bewindvoerder het volgende aangevoerd. [X] kan niet in staat worden geacht zijn eigen vermogensrechtelijke belangen behoorlijk te behartigen. Bij Stichting perMens was ook bekend dat [X] onder bewind stond. De bewindvoerder is echter niet betrokken geweest bij genoemde met [X] gesloten overeenkomsten. De bewindvoerder is daarom niet gebonden aan de afspraken uit deze overeenkomsten. De bewindvoerder heeft slechts ingestemd met de betaling van de huur. De waarschuwingen en opzegging zijn ook niet aan de bewindvoerder gericht, terwijl deze correspondentie wel aan de bewindvoerder had moeten worden gericht omdat het huurgenot een vermogensrecht is. Volgens de bewindvoerder is met haar instemming tot betaling van de huur een huurovereenkomst tot stand gekomen waarop de wettelijke huurbescherming van toepassing is. Deze overeenkomst dient afzonderlijk van de zorg- en dienstverleningsovereenkomst te worden gezien. De begeleidingsovereenkomst doet niet af aan het uitgangspunt van huurbescherming. Feitelijk werd geen begeleiding aan [X] verleend, zoals ook erkend door Stichting perMens, zodat de zorg- en dienstverleningsovereenkomst in dit geval niet overheerst. Uit de feiten blijkt dat de huurovereenkomst en de zorg- en dienstverleningsovereenkomst ook niet gelijktijdig zijn opgezegd. Onduidelijk is althans per wanneer de huurovereenkomst is beëindigd. [X] heeft bovendien daarna toch nog begeleiding gekregen. Door [X] wordt overigens nadrukkelijk betwist dat hij zich onvoldoende behandelbaar heeft opgesteld. Door de ernstige tekortkoming van Stichting perMens in de uitvoering van de zorg- en dienstverleningsovereenkomst dient Stichting perMens zelf mede verantwoordelijk te worden gehouden voor hetgeen zij [X] verwijt. Met de
grieven 6 en 7heeft de bewindvoerder weersproken dat de omwonenden aanhoudend ernstige overlast ondervinden van [X] en benadrukt dat de gestelde overlast niet door [X] maar door derden werd veroorzaakt. Dat derden de woning zonder instemming van [X] blijven bezoeken kan hem niet worden tegengeworpen.