Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
op € 11.408.301. In het rapport staat dat het uitsluitend zal worden gebruikt voor een onderlinge overdracht van aandelen binnen de familie van de aandeelhouders en dat het uitsluitend voor dat doel is bestemd. Er is volgens het rapport voor het bepalen van de waarde van de onroerende zaken per medio december 2010 gebruik gemaakt van de door [G] opgestelde overzichtslijst onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat en mondeling verstrekte aanvullende toelichtingen. Verder heeft de accountant de onroerende zaak in de deelneming [B] B.V. voor de boekwaarde ultimo 2009 opgenomen, omdat deze door [G] niet getaxeerd was en merkt de accountant op dat een pand voor een relatief lage waarde was getaxeerd omdat dit pand, sinds het was aangekocht, voor een lage huurprijs aan een van de zonen werd verhuurd.
€ 11.408.000, is op 30 december 2010 98,33% van die aandelen aan [C] Beheer B.V. overgedragen voor een koopsom van € 11.210.000.
- Belanghebbenden hebben onder meer een taxatierapport van 5 juli 2017 van taxateurs [L] RT RM en [M] MRICS RT RM ingebracht. Hun conclusie was dat de onroerende zaken op 30 december 2010 in verhuurde staat
- De Belastingdienst heeft gebruik gemaakt van nadere toelichtingen van taxateur [D] RT werkzaam bij de Belastingdienst/kantoor Amsterdam. Zijn conclusie op 22 november 2018 was dat de door [K] getaxeerde waarde moest worden aangepast naar € 25.087.000.
(…)
De gesprekken in het kader van een mogelijke bedrijfsoverdracht hebben geleid tot concrete advisering in de vorm van een schenking van de aandelen [A] B.V. onder toepassing van de [BOF]. (…) In 2009 werden de eerste voorbereidingen getroffen om de “proefschenking gestalte te geven. In 2009 was de taxatie die was uitgevoerd in 2008 nog steeds reëel, actueel en bruikbaar aangezien de waarde van de panden in dat (crisis)jaar eerder lager dan hoger gewaardeerd zouden moeten worden volgens de deskundigen.
(…)
Om (…) “zekerheid vooraf” te verkrijgen hebben wij in 2010 de toepassing van de BOF voorgelegd aan de Belastingdienst. (…) Helaas is het verzoek tot zekerheid vooraf afgewezen door de Belastingdienst. (…)
Gezien de leeftijd van vader en moeder zou een bedrijfsopvolging niet alleen wenselijk maar ook noodzakelijk zijn. Nu toepassing van de BOF was afgewezen door de Belastingdienst, zou de bedrijfsopvolging anders dan door middel van een schenking moeten plaatsvinden. Een schenking met een beroep op de BOF zou dan immers mogelijk een procedure tot gevolg hebben hetgeen de familie uit de weg wilde gaan. Een verkoop op korte termijn van het door vader en moeder gehouden belang in [A] bleek toen de meest eenvoudige wijze van bedrijfsopvolging. (…)
Het was duidelijk dat de vastgoedcrisis alleen nog maar verder haar intrede had gedaan in 2010. De door [G] in 2008 uitgevoerde taxatie van de panden was volgens de deskundigen op dat moment ook nog steeds zeer actueel en bruikbaar ter bepaling van de waarde van de aandelen [A] B.V. op basis waarvan de verkoopprijs is vastgesteld. Gelet op de ontwikkelingen op de onroerend goed markt in de jaren 2008 – 2010 leek het dus, zoals eerder aangegeven, niemand noodzakelijk om de taxaties opnieuw uit te laten voeren.”
Het gaat om de brief waarbij het derdenonderzoek aan [G] makelaardij werd aangekondigd en om de daaruit verkregen informatie; op 3 december 2015 heeft een medewerker van [G] makelaardij voldaan aan het verzoek om informatie van de Belastingdienst in het kader van het derdenonderzoek naar de familie [X] . De medewerker heeft het ‘dossier [X] ’ aan de Belastingdienst gemaild. Als bijlagen bij die e-mail zijn een pdf-bestand en 22 excel-bestanden gevoegd met daarin gegevens van de huren 2011, de WOZ-waarden 2010 en 2011, een brief van [J] , berekeningen per getaxeerde onroerende zaak en de overzichtslijst 2010.
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Vooraf
- Een brief van [D] van 22 september 2016. Daarin neemt hij het standpunt in dat de gebruikte rekenmodellen in het rapport van [K] een juiste berekeningswijze weergeven van een BAR-berekening winkelruimte. De gehanteerde variabelen zijn volgens [D] niet onredelijk. Ook is gereageerd op de taxaties door [G] .
- Een brief van [D] van 18 augustus 2017. Daarin wordt uitleg gegeven over het “referentieonderzoek” verricht door [D] betreffende de huurherzieningswaarde en verkopen relevant voor verschillende panden. Dit onderzoek is verricht mede aan de hand van informatie over de panden die [K] nog niet had. Voor meerdere panden komt hij tot de conclusie dat de door [K] berekende waarde te hoog is dan wel te laag. Rekening houdend met een redelijke taxatiemarge resulteert dit in het standpunt dat [K] de gehele portefeuille eerder te laag dan te hoog heeft gewaardeerd.
- Een brief van [D] van 2 oktober 2017. Daarin wordt gereageerd op het rapport van [L] en [M] . [D] komt tot de conclusie dat de in het rekenmodel gebruikte variabelen aanzienlijk afwijken van de in de (taxatie)markt gebruikelijke variabelen. Ook neemt [D] informatie waarop het rapport van [L] en [M] is gebaseerd en die nog niet bekend was ten tijde van de taxatie door [K] , alsnog mee. Zo houdt [D] alsnog rekening met achterstallig onderhoud van € 400.000. Verder berekent hij de in de brief van 18 augustus 2017 genoemde relevante waardeverschillen en voegt daarvan BAR-berekeningen toe. Een en ander resulteert in de conclusie dat de portefeuille moet worden gewaardeerd op € 24.845.000 per 30 december 2010.
- Een brief van [D] van 22 november 2018. Daarin wordt gereageerd op de brief van eisers van 30 mei 2018 met bijlagen betreffende de panden. Ingegaan wordt op de toegepaste metrage, werkelijk gerealiseerde huren, toegepaste zonering, kapitaalscorrecties en overige variabelen en waardering meerhuur. Naar aanleiding daarvan is een aantal waarderingen aangepast en zijn bijtellingen meegenomen vanwege gebleken hogere gerealiseerde huren voor diverse woningen en bedrijfsruimte. Een en ander resulteert in de conclusie dat de portefeuille moet worden gewaardeerd op € 25.087.000 per 30 december 2010. Overzichten van gehanteerde huurprijzen en metrages zijn bijgevoegd.
- Een brief van [D] van 27 juli 2020. Daarin is kritiek gegeven op het concept-rapport van [N] . De kritiek betreft de gebruikte uitgangspunten, de wegingspercentages voor de zonering, de huuropbrengsten, de taxatiemethodiek, het gebruikte rekenmodel en andere modellen en variabelen. Verder is [D] ingegaan op de waardering van [A-straat] . Volgens [D] is ook onvoldoende inzicht gegeven in de keuze van de referenties.
- Een brief van [D] van 21 februari 2021. Daarin is kritiek gegeven op het definitieve taxatierapport van [N] . [D] heeft kritiek op diverse uitgangspunten van [N] betreffende de (mutatie-) leegstand, het gelijkstellen van de markthuur aan de herzieningshuurwaarde, het ontwikkelingsscenario’s voor markt- en herzieningshuur, de uit verschillende variabelen voortvloeiende NAR’s, toepassing van het uitpond- of doorexploitatiemodel ten aanzien van verhuurde woningen en de daarbij in aanmerking genomen variabelen en de toegepaste BAR’s en NAR’s op basis van de referenties. Volgens [D] is [N] ten onrechte uitgegaan van telkens dezelfde uitgangspunten, ondanks de verschillen in de (ligging van) panden. [D] concludeert dat het rapport niet voldoende uitgewerkt en onderbouwd is. Ondanks de kanttekeningen concludeert [D] verder dat de taxaties van diverse panden bruikbaar zijn, doch dit niet geldt voor de panden aan de [E-straat] en [A-straat] . Bij de brief zijn diverse bijlagen gevoegd, zoals berekeningen, kerngegevens van huurcontracten gesloten voor panden in de [A-straat] en BAR-cijfers van DTZ Zadelhoff in de periode 2008 tot en met 2010.
- Een brief van [D] van 7 april 2021. Hierin wordt gereageerd op een brief van eisers van 18 maart 2021. [D] gaat in op de herzieninghuurwaarden gebruikt door hemzelf, [L] en [M] en [N] en de in dat verband toegepaste zonering, en concludeert dat hij op de laagste herzieningshuurwaarde uitkomt. Bijgevoegd zijn gegevens met betrekking tot huurwaardereferenties. Deze bijlagen zijn later tardief verklaard (zie hiervoor bij “Vooraf”).
- Een brief van [D] van 8 april 2021. Hierin is gereageerd op een brief van eisers van 25 januari 2021. De brief betreft de verschillen in huurherzieningswaardes en BAR/NAR, de ingebrachte informatie over de panden in Haarlem en het achterstallig onderhoud. Bijgevoegd is onder meer een overzicht van de ter zake van de panden gedane investeringen in de periode 2011 tot en met 2019.
- Een bericht van [D] in reactie op het e-mailbericht van [W] van 2 april 2021, zoals geciteerd in de brief namens eisers van 9 april 2021. Dit bericht is geciteerd in de pleitnota van verweerder voor de zitting van 21 april 2021. Hierin wordt onder meer ingegaan op de markt- en herzieningshuurwaarde voor de [A-straat] , de verkooptransacties in die straat en de [E-straat] en de gebruikte BAR.
5. Beoordeling van het geschil in het principale en het incidentele hoger beroep
- “Het Hof stelt voorop dat op de regiezitting niet voor niets afspraken zijn gemaakt over het indienen van de stukken. Het niet nakomen van deze afspraken acht het Hof daarom in beginsel reeds in strijd met de goede procesorde. Dat is slechts anders indien omstandigheden worden aangevoerd op basis waarvan een partij redelijkerwijs niet gehouden kan worden aan die gemaakte afspraken.
- De regiezitting is er immers niet voor niets geweest. Op de regiezitting is het indienen van stukken, ook omvangrijke stukken vlak voor de zitting, besproken. Er is gesproken over de strijd met de goede procesorde die dit oplevert. Er zijn toen met elkaar procesafspraken gemaakt om met deze zeer langlopende zaak efficiënt verder te kunnen gaan en betrokkenen voldoende gelegenheid te geven om deze zaken voor te bereiden. In het proces-verbaal van de regiezitting staan bij de gedachtestreepjes duidelijke termijnen genoemd voor elk stuk en ook is op de zitting afgesproken om geen tiendagenstukken in te dienen. Ook was de afspraak dat de taxatie van de heer [N] buiten beschouwing zou worden gelaten en dat het Hof zou beslissen op basis van de taxaties en toelichtingen van partijen die er op dat moment lagen.
6.Kosten
Voor het bezwaar, het beroep en voor de kosten van deskundigen zijn door de rechtbank reeds kostenvergoedingen toegekend. Het Hof ziet geen reden voor een hogere vergoeding dan door de rechtbank is toegekend.
7.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens voor zover het de beslissingen inzake de proceskosten, de vergoeding van immateriële schade en de vergoeding van het griffierecht betreft;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de navorderingsaanslag;
- vernietigt de beschikking heffingsrente;
- veroordeelt de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) aanvullend tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade aan belanghebbenden van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden in hoger beroep tot een bedrag van € 3.937,50, en
- draagt de inspecteur op het griffierecht in hoger beroep van € 134 aan belanghebbenden te vergoeden.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.