Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2024:3141

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 november 2024
Publicatiedatum
14 november 2024
Zaaknummer
23-003002-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep na terugwijzing Hoge Raad inzake productie en handel in heroïne en hennepteelt

De verdachte werd aanvankelijk door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor onder meer productie en handel in heroïne, hennepteelt en witwassen. Zowel verdachte als het Openbaar Ministerie gingen in hoger beroep. Het gerechtshof stelde in 2021 een gevangenisstraf van 40 maanden vast. De Hoge Raad vernietigde het arrest in 2023 deels en wees de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de strafoplegging en verbeurdverklaring.

Tijdens de terechtzitting van 31 oktober 2024 heeft het hof het bewijs en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte gewogen. De verdachte had samen met anderen voorbereidingshandelingen verricht gericht op de productie van heroïne door het smokkelen van azijnzuuranhydride in zeecontainers met eindbestemming Afghanistan. Daarnaast was sprake van hennepteelt met illegale elektriciteitsafname en witwassen.

Het hof hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in zowel hoger beroep als cassatie, wat leidde tot een strafvermindering. Uiteindelijk werd een gevangenisstraf van 37 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest. Tevens werden vier jerrycans met olie verbeurd verklaard, omdat deze als hulpmiddel bij de ten laste gelegde feiten waren gebruikt.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 37 maanden gevangenisstraf en verbeurdverklaring van vier jerrycans olie.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003002-23
datum uitspraak: 14 november 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 14 november 2023 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-870140-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1971,
adres: [adres].

Procesgang

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het onder feiten 1, 2, 5 en 6 tenlastegelegde veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 26 januari 2021 het vonnis vernietigd ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en opnieuw recht gedaan en de verdachte veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.
De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 14 november 2023 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 5 cumulatief als tweede tenlastegelegde en de strafoplegging, de verdachte vrijgesproken van het onder 5 cumulatief als tweede tenlastegelegde en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde de zaak ten aanzien van de strafoplegging opnieuw te berechten en af te doen.
Het hof dient - gezien het arrest van de Hoge Raad - te oordelen over de opgelegde gevangenisstraf en de verbeurdverklaring van vier jerrycans met olie.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2024.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Oplegging van straffen

Na terugwijzing door de Hoge Raad heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1, 2, 5 cumulatief als eerste en feit 6 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot 38 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Daarbij heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte een lagere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal gevorderd gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de partiële vrijspraak door de Hoge Raad en de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij, evenals de rechtbank, in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft, samen met anderen, voorbereidingshandelingen verricht die gericht waren op de productie van heroïne. Daartoe werd azijnzuuranhydride in (zee)containers verstopt om op deze wijze de stof Nederland uit te voeren. De eindbestemming van de transporten was Afghanistan, waar ook een container met azijnzuuranhydride en zoutzuur is onderschept. Vanwege het risico op ongeoorloofd gebruik van de stof is de in- en uitvoer aan strenge wet- en regelgeving gebonden, welke verdachte heeft overtreden. De invoer van azijnzuuranhydride is ook in Afghanistan verboden. De illegale handel is dan ook zeer lucratief. Uiteindelijk vindt de geproduceerde heroïne weer zijn weg naar een illegale afzetmarkt en de gebruikers van heroïne. Heroïne is een stof die een groot gevaar voor de volksgezondheid oplevert.
Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan hennepteelt en daarbij illegaal elektriciteit afgenomen. Hennepteelt levert een softdrug op die bij langdurig gebruik kan leiden tot schade voor de gezondheid. Zowel voor de handel in heroïne als hennep geldt dat deze gepaard gaan met vele andere vormen van criminaliteit en vormen daarmee een bron van overlast voor de samenleving. De verdachte heeft zich laten drijven door winstbejag, zonder zich te bekommeren om de negatieve gevolgen van zijn handelen.
Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt witwassen, hetgeen een ernstige bedreiging vormt voor de legale economie en de integriteit van het financieel en economisch verkeer aantast. Geld verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving.
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof tevens acht geslagen op:
- een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 16 oktober 2024;
- de persoonlijke omstandigheden zoals deze door de raadsman ter terechtzitting naar voren zijn gebracht;
- de omstandigheid dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is; en
- het feit dat de Hoge Raad de verdachte heeft vrijgesproken van het onder feit 5 cumulatief als tweede tenlastegelegde.
Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 41 maanden passend en geboden.
Het hof stelt daarnaast vast dat het recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht, als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM, is geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in zowel eerste aanleg, hoger beroep, als de procedure bij de Hoge Raad steeds behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren. Op 1 mei 2018 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof deed bij arrest van 26 januari 2021 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna acht maanden. Op 9 februari 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Op 14 november 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan. Hieruit volgt dat in de cassatiefase sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim negen maanden. De hiervoor genoemde overschrijdingen zijn niet aan de verdachte te wijten en moeten dan ook leiden tot een lagere straf. Daarom wordt de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 37 maanden opgelegd.

Beslag

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen en nog niet teruggegeven:
- 4.00 STK Jerrycans gevuld met olie (745070).
Het hof is van oordeel dat deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en dat deze als bijkomende straf verbeurd moeten worden verklaard. Het onder 5 cumulatief als eerste tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan of voorbereid met behulp van de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3, 10a en 11 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 47, 57, 63, 311 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover na terugwijzing door de Hoge Raad aan zijn oordeel onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
37 (zevenendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 4.00 STK Jerrycans gevuld met olie (745070).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.A. Groenendijk, mr. B.E. Dijkers en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van
mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
14 november 2024.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.