Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2024:3022

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2024
Publicatiedatum
30 oktober 2024
Zaaknummer
000418-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 533 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek vergoeding wegens opgelegde straf en maatregel

Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 533 Sv Pro tot vergoeding van schade geleden door verzekering, klinische observatie en voorlopige hechtenis. Het verzoekschrift werd ingediend op 6 juni 2024 en behandeld in de raadkamer op 15 oktober 2024, waarbij verzoeker niet aanwezig was.

Het hof stelde vast dat de strafzaak was geëindigd met een gevangenisstraf van 8 dagen en een maatregel tot vrijheidsbeperking, waardoor niet is voldaan aan het vereiste dat de zaak zonder oplegging van straf moet zijn geëindigd voor ontvankelijkheid. De verdediging pleitte voor een ruimere uitleg van het zaaksbegrip, maar het hof volgde dit niet.

Het hof oordeelde dat de gevoegde zaken als één zaak moeten worden beschouwd en dat het enkele feit dat verzoeker langdurig zijn vrijheid is ontnomen niet leidt tot onbillijkheid die vergoeding rechtvaardigt. Daarom werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vergoeding.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vergoeding wegens oplegging van straf.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000418-24 (533 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-000557-22
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. N. Hendriksen,
Nieuwstraat 23, 1621 EA Hoorn.

1.Procesverloop

Het verzoekschrift is op 6 juni 2024 ingekomen.
Op 9 juli 2024 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 15 oktober 2024 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker, mr. Y.R. Nielsen, in dezen optredend als waarnemend voor mr. N. Hendriksen, ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen.

2. Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
a. schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering, klinische observatie en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 96.480,00.

3.Ontvankelijkheid

Bij arrest van dit hof van 22 februari 2024 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 dagen en de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid. Het hof stelt vast dat aan het vereiste van artikel 533 Sv Pro, dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf, niet is voldaan.
De advocaat van verzoeker heeft bepleit dat in casu moet worden afgeweken van de gangbare uitleg van het zaaksbegrip, dat verzoeker ontvankelijk is in het verzoek omdat sprake is van afzonderlijke zaken (gevoegde zaken A en B) en voorts het verband ontbreekt tussen feit 1 en feit 3 en tussen feit 1 en 2 in zaak A en tenslotte dat strikte toepassing van het zaaksbegrip in dit geval tot zwaarwegende onbillijkheid leidt.
Het hof volgt de advocaat niet in de stelling dat toepassing van het zaaksbegrip verruimd zou moeten worden in die zin dat de gevoegde zaak A en B ieder als afzonderlijke zaak moeten worden beschouwd en dat dit ook zou moeten gelden voor de feiten in zaak A. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat het begrip “zaak” in artikel 533 Sv Pro de betekenis heeft van : “al datgene waarop het rechtsgeding betrekking heeft”, waarbij geldt dat gevoegde zaken in beginsel worden beschouwd als 1 zaak. Het hof oordeelt dat hetgeen in casu namens verzoeker is aangevoerd geen feitelijke grondslag vindt in het onderliggende strafdossier. Nu de zaak daarmee niet is geëindigd zonder oplegging van straf, dient verzoeker niet-ontvankelijk te worden verklaard in het verzoek. Het enkele feit dat verzoeker uiteindelijk op grond van een maatregel langdurig zijn vrijheid ontnomen is geweest, maakt niet dat dat er daarmee sprake is van een zwaarwegende onbillijkheid die alsnog tot toekenning van een vergoeding zou moeten leiden.
Gelet hierop zal het hof verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek.

4.Beslissing

Het hof :
Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, M.J.A. Duker en J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 29 oktober 2024.