Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2024:1409

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 mei 2024
Publicatiedatum
27 mei 2024
Zaaknummer
23-000213-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling poging tot diefstal in vereniging met aangepaste bewijsoverweging

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarin verdachte werd veroordeeld voor pogingen tot diefstal in vereniging. De raadsman van verdachte voerde aan dat er onvoldoende bewijs was, met name door het ontbreken van een aangifte en het ontbreken van een begin van uitvoering van de feiten. Ook stelde hij dat verdachte geen bijdrage van significant gewicht had geleverd en daarom niet als medepleger kon worden aangemerkt.

Het hof overwoog dat het ontbreken van een aangifte en het feit dat een slachtoffer onbekend bleef niet aan bewezenverklaring in de weg staat, gelet op de waarnemingen van de verbalisanten. Het hof stelde vast dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte, waaronder het seinen naar elkaar en het afleiden van het slachtoffer, een duidelijke rolverdeling en nauwe samenwerking tonen. De gedragingen werden beschouwd als een begin van uitvoering van de diefstal.

Met betrekking tot het derde feit, waarbij daadwerkelijk een stapeltje papier werd weggenomen en teruggestopt, was sprake van een voltooide poging. Dit versterkte het hof in haar oordeel dat ook bij de eerste twee feiten een begin van uitvoering was gegeven. Het hof verwierp het verweer van de raadsman en achtte alle drie de pogingen tot diefstal in vereniging wettig en overtuigend bewezen.

Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter, verving de bewijsoverweging en voegde een nadere overweging toe over de strafbaarheid van de dader. De strafvordering van de advocaat-generaal tot negen maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest werd onderschreven.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf voor pogingen tot diefstal in vereniging.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000213-24
datum uitspraak: 22 mei 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-013250-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1994,
thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging vervangt door de navolgende inhoud.

Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van alle drie de feiten. Voor feit 2 ziet de raadsman te weinig bewijs, gezien het ontbreken van een aangifte. Voorts heeft hij ten aanzien van feit 1 en 2 aangevoerd dat geen sprake was van een begin van uitvoering. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de verdachte geen bijdrage van significant gewicht heeft geleverd aan de tenlastegelegde feiten, waardoor hij niet als medepleger aangemerkt kan worden.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de onder feit 1 en 2 tenlastegelegde poging
Het ontbreken van een aangifte en het feit dat de vrouw genoemd in feit 2 onbekend is gebleven, staat op zich aan een bewezenverklaring daarvan niet in de weg, gezien de waarnemingen van de verbalisanten.
Uit het dossier blijkt dat de verdachten in korte tijd een grotendeels zelfde modus operandi hebben gebruikt bij 3 verschillende slachtoffers. De in het dossier beschreven gedragingen van de verdachten, waaronder het uitkiezen van het beoogde slachtoffer, het knikken en seinen naar elkaar, het trekken van de aandacht door de ene verdachte, het proberen spullen weg te nemen door de ander verdachte, dienen naar oordeel van het hof naar uiterlijke verschijningsvormen te worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van de diefstallen.
Uit de gedragingen van de verdachten zoals tenlastegelegd onder feit 3 blijkt wat de eerstvolgende stap zou zijn geweest als de beoogde slachtoffers zich niet hadden omgedraaid. Hierbij is namelijk door de verdachte daadwerkelijk een stapeltje papier uit de jaszak weggenomen en vervolgens weer terug gestopt in de zak van het slachtoffer. Met deze handeling was er sprake van een voltooide poging.
Dit bezien in relatie tot de feiten 1 en 2 sterkt het hof in de overtuiging dat ook bij deze feiten sprake is geweest van een begin van uitvoering. Het verweer van de raadsman ertoe strekkende dat geen sprake is geweest van een begin van uitvoering wordt daarom verworpen.
Ten aanzien van het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde medeplegen
De handelingen van de verdachte en zijn medeverdachte hebben onder andere bestaan uit het seinen naar elkaar en het door de verdachte afleiden van het slachtoffer terwijl de medeverdachte dicht achter het slachtoffer ging staan. Dit maakt dat sprake is van een duidelijke rolverdeling tussen de verdachte en zijn medeverdachte. Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen een bijdrage van significant gewicht heeft geleverd aan de tenlastegelegde pogingen tot diefstal, waardoor sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Het verweer wordt verworpen.
Gelet op het voorgaande acht het hof alle drie de tenlastegelegde pogingen tot diefstal in vereniging wettig en overtuigend bewezen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. N. van der Wijngaart, en mr. C. Laukens, in tegenwoordigheid van mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 mei 2024.
Mr. A.M. Kengen en mr. C. Laukens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.