ECLI:NL:GHAMS:2024:1409
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging veroordeling poging tot diefstal in vereniging met aangepaste bewijsoverweging
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarin verdachte werd veroordeeld voor pogingen tot diefstal in vereniging. De raadsman van verdachte voerde aan dat er onvoldoende bewijs was, met name door het ontbreken van een aangifte en het ontbreken van een begin van uitvoering van de feiten. Ook stelde hij dat verdachte geen bijdrage van significant gewicht had geleverd en daarom niet als medepleger kon worden aangemerkt.
Het hof overwoog dat het ontbreken van een aangifte en het feit dat een slachtoffer onbekend bleef niet aan bewezenverklaring in de weg staat, gelet op de waarnemingen van de verbalisanten. Het hof stelde vast dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte, waaronder het seinen naar elkaar en het afleiden van het slachtoffer, een duidelijke rolverdeling en nauwe samenwerking tonen. De gedragingen werden beschouwd als een begin van uitvoering van de diefstal.
Met betrekking tot het derde feit, waarbij daadwerkelijk een stapeltje papier werd weggenomen en teruggestopt, was sprake van een voltooide poging. Dit versterkte het hof in haar oordeel dat ook bij de eerste twee feiten een begin van uitvoering was gegeven. Het hof verwierp het verweer van de raadsman en achtte alle drie de pogingen tot diefstal in vereniging wettig en overtuigend bewezen.
Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter, verving de bewijsoverweging en voegde een nadere overweging toe over de strafbaarheid van de dader. De strafvordering van de advocaat-generaal tot negen maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest werd onderschreven.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf voor pogingen tot diefstal in vereniging.