ECLI:NL:GHAMS:2023:954
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aansprakelijkheid en kostenveroordeling bij beëindiging detacheringsovereenkomst zonder rechtmatige grond
In deze civiele zaak ging het om een geschil tussen [appellante] BOUW B.V. en CPA B.V. over de beëindiging van een detacheringsovereenkomst voor een medewerker, aangegaan voor een jaar met slechts een maand tussentijdse opzeggingsmogelijkheid.
De rechtbank had geoordeeld dat er geen sprake was van dwaling, misleiding of schending van contractuele inspanningsplicht door CPA en dat de overeenkomst niet tussentijds mocht worden beëindigd. Appellante voerde in hoger beroep diverse grieven aan, waaronder dwaling, wanprestatie en schending van inspanningsplicht, maar kon geen feiten aanvoeren die deze stellingen ondersteunden.
Het hof bevestigde dat de detacheringsovereenkomst rechtsgeldig was en dat de beëindiging door appellante op 2 april 2020 onrechtmatig was omdat niet was voldaan aan de voorwaarden voor tussentijdse beëindiging. CPA had voldoende bewijs geleverd van de schade en haar inspanningen om die te beperken. De grieven van appellante werden verworpen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd, met veroordeling van appellante in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellante af met veroordeling in de kosten.