Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord.
Gerechtshof Amsterdam
Appellant sloot in 2015 een doorlopend krediet af bij Rabobank. In 2019 leverde hij vervalste documenten aan voor kredietwaardigheidsbeoordeling, waarna Rabobank de lening opzegde en appellant registreerde in diverse kredietregisters voor acht jaar. Appellant diende bezwaar in en startte een procedure bij Kifid, die een bindend advies gaf waarin opname in de registers werd toegestaan, met een matiging van de registratieduur in het EVR en Incidentenregister tot zes jaar.
Appellant stelde dat het bindend advies ernstige gebreken vertoonde, met onvoldoende toetsing aan proportionaliteit en subsidiariteit, en onvoldoende motivering over de registratieduur en gevolgen. Hij vorderde vernietiging van het bindend advies en schadevergoeding. De rechtbank wees deze vorderingen af en veroordeelde appellant in de proceskosten.
In hoger beroep bevestigde het hof dat het bindend advies geen ernstige gebreken bevat. De Geschillencommissie had de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoende toegepast en gemotiveerd, ook al had zij niet alle motiveringen expliciet genoemd. De belangenafweging was zorgvuldig, waarbij het belang van financiële instellingen tegen de nadelige gevolgen voor appellant was afgewogen. De langere interne registratie was gerechtvaardigd.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd om het bindend advies te vernietigen en dat de motivering begrijpelijk was binnen de grenzen waarbinnen meningsverschillen kunnen bestaan. Het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en bevestigt de proportionele registratie van appellant in kredietregisters wegens fraude.