ECLI:NL:GHAMS:2023:3717

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 december 2023
Publicatiedatum
11 maart 2024
Zaaknummer
200.304.049/03
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek afgewezen wegens niet-tijdige indiening en gebrek aan gegronde partijdigheid

Verzoekster, woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, diende een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam tijdens een hoger beroepsprocedure. Het verzoek betrof vermeende partijdigheid van de raadsheren omdat zij de mondelinge behandeling op 17 oktober 2023 ondanks verzoeken tot aanhouding wilden voortzetten.

De wrakingskamer behandelde het verzoek op dezelfde dag en wees het af. De mondelinge behandeling werd direct voortgezet, waarbij verzoekster en haar advocaat afwezig waren. Verzoekster diende vervolgens op 31 oktober 2023 een nieuw wrakingsverzoek in, dat op 7 december 2023 werd behandeld. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek niet tijdig was ingediend, aangezien de feiten die aanleiding gaven tot wraking op 23 oktober 2023 bekend waren en het verzoek pas acht dagen later werd gedaan.

Ten overvloede overwoog de wrakingskamer dat het verzoek ook inhoudelijk niet toewijsbaar zou zijn geweest. De vermeende vooringenomenheid van de raadsheren was niet aannemelijk, aangezien het voortzetten van de zitting een procedurele beslissing betrof en geen grond voor wraking vormt. De wrakingskamer benadrukte dat wraking geen verkapt rechtsmiddel is en dat de motivering van een rechterlijke beslissing niet zonder meer aanleiding geeft tot wraking.

De wrakingskamer verklaarde verzoekster daarom niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek en wees het af. De beslissing werd op 21 december 2023 gegeven door de wrakingskamer bestaande uit de genoemde raadsheren.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar wrakingsverzoek wegens te late indiening en het verzoek wordt inhoudelijk afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
zaaknummer:
200.304.049/03
Beslissing van de wrakingskamer van 21 december 2023
inzake het op
31 oktober 2023gedane verzoek namens
[verzoekster],
wonende in het Verenigd Koninkrijk,
bijgestaan door mr. E. Doornbos, advocaat te Badhoevedorp,
hierna: verzoekster.

1.De procedure

1.1
De hoofdzaak betreft een hoger beroepsprocedure van verzoekster, appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, tegen [naam 1] q.q. i.h.v. executeur in de nalatenschap van mw. [naam 2] als geïntimeerde in principaal appel en appellant in incidenteel appel.
1.2
In deze procedure heeft op 17 oktober 2023 om 10:00 uur een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voorafgaand aan deze mondelinge behandeling heeft mr. Doornbos namens verzoekster om aanhouding van de mondelinge behandeling verzocht. Dit verzoek is afgewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Doornbos opnieuw namens verzoekster verzocht om aanhouding. Nadat de voorzitter meedeelde dat het hof bij zijn beslissing bleef de mondelinge behandeling op 17 oktober 2023 doorgang te laten vinden heeft mr. Doornbos namens verzoekster de mrs. P.J. van Eekeren (voorzitter), M.M.M. Tillema en A.C. van Schaick (hierna ook gezamenlijk: de raadsheren) gewraakt.
1.3
Dit wrakingsverzoek is op 17 oktober 2023 behandeld. De wrakingskamer heeft na de behandeling van het verzoek direct mondeling uitspraak gedaan en het wrakingsverzoek afgewezen.
1.4
De mondelinge behandeling in de hoofdzaak is vervolgens diezelfde dag voortgezet. In het proces-verbaal van deze mondeling behandeling staat dat de openbare terechtzitting op
17 oktober 2023 om 13:30 uur is hervat. Uit het proces-verbaal volgt dat mr. Doornbos en verzoekster niet bij deze voortgezette mondelinge behandeling aanwezig waren.
1.5
In reactie op een e-mail van mr. Doornbos van 18 oktober 2023 heeft de griffie namens de raadsheren op 23 oktober 2023 aan mr. Doornbos bericht dat de mondelinge behandeling op 17 oktober 2023 na de uitspraak van de wrakingskamer is hervat en is beëindigd rond 14:00 uur. Daarbij is medegedeeld dat de zaak is verwezen naar de rol van 2 januari 2024 voor arrest en sindsdien in staat van wijzen is.
1.6
Vervolgens heeft mr. Doornbos namens verzoekster bij e-mail van 31 oktober 2023 opnieuw de raadsheren gewraakt.
1.7
De raadsheren hebben op 7 november 2023 schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.
1.4
Het wrakingsverzoek is op 7 december 2023 door de wrakingskamer behandeld. Op de zitting waren aanwezig:
- namens verzoekster mr. Doornbos;
- namens de raadsheren de mrs. Van Eekeren en Tillema.

2.Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover

2.1
De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit de e-mail van mr. Doornbos van 31 oktober 2023. Mr. Doornbos heeft het verzoek op de zitting van de wrakingskamer toegelicht. Samengevat vindt verzoekster dat uit alles blijkt dat de raadsheren koste wat kost (en met name ten koste van de positie van verzoekster) de zitting op 17 oktober 2023 wilden door laten gaan en dat hieruit overduidelijk blijkt dat sprake is van partijdigheid. Daartoe is het volgende aangevoerd.
De behandeling van het eerste wrakingsverzoek is aangevangen om 13:10 uur en duurde tot 13:30 uur. Tijdens deze wrakingszitting lieten de raadsheren weten dat zij de mondelinge behandeling in de hoofdzaak graag om 17:00 uur zouden willen voortzetten. Mr. Doornbos heeft daarop laten weten dat – zoals hij ook had gemeld aan de wrakingskamer in verband met de behandeling van het verzoek – hij om 13:30 uur weg moest in verband een privéaangelegenheid. De voorzitter van de wrakingskamer heeft daarop laten weten dat de beslissing zo spoedig mogelijk zou volgen. Mr. Doornbos is na de behandeling van het wrakingsverzoek (om 13:30 uur) weggegaan en ontving diezelfde dag omstreeks 13:49 uur bericht van de wrakingskamer dat het wrakingsverzoek was afgewezen. Vervolgens hoorde hij pas enkele dagen later dat de zitting in de hoofdzaak “gewoon” was doorgegaan en wel om 13:30 uur. Uit dit feitencomplex volgt dat er zaken niet goed zijn gegaan. Zo kan de beslissing op het wrakingsverzoek niet vóór 13:45 uur zijn genomen maar staat in het proces-verbaal van de hoofdzaak dat de mondelinge behandeling om 13:30 uur is voortgezet. Daarnaast kan van een advocaat niet worden verwacht dat hij zich de hele dag beschikbaar houdt als er voor een zitting maar één uur of anderhalf uur staat gepland, aldus mr. Doornbos.
2.2
De raadsheren berusten niet in de wraking. Samengevat vinden zij dat de beslissing om de behandeling op 17 oktober 2023 na de wrakingsbeslissing voort te zetten een procedurele beslissing betreft waarbij geen sprake is van vooringenomenheid jegens verzoekster noch van objectieve factoren die een gerechtvaardigde vrees daarvoor bij verzoekster kunnen rechtvaardigen. Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek is de mededeling gedaan dat – indien het verzoek zou worden afgewezen – de mondelinge behandeling aan het eind van de middag (om 16:30 uur) zou worden voortgezet. Mr. Doornbos heeft daarop laten weten dat hij dan niet beschikbaar zou zijn in verband met privéomstandigheden. Mr. Doornbos is ook na de behandeling van het wrakingsverzoek maar voor de uitspraak vertrokken. Gelet hierop is verondersteld dat hij ook eerder dan 16:30 uur die middag niet aanwezig zou kunnen zijn. Daarom is na de wrakingsbeslissing de mondelinge behandeling in de hoofdzaak onmiddellijk hervat. In het proces-verbaal van die mondelinge behandeling is per abuis opgenomen dat de behandeling om 13:30 uur is hervat, maar dit moet (ongeveer) 14:00 uur zijn, aldus de raadsheren ter wrakingszitting. Mr. Doornbos had er bij het doen van het wrakingsverzoek rekening mee moeten houden dat het verzoek nog diezelfde dag zou worden behandeld en dat in geval van afwijzing de mondelinge behandeling direct zou worden voortgezet. Het had dan ook op zijn weg gelegen zich daarvoor beschikbaar te houden of te maken. Dat hij hierin niet is geslaagd, komt voor zijn risico, aldus de raadsheren.

3.De beoordeling

Juridisch kader
3.1
Artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen. Volgens artikel 37, lid 1, Rv moet het verzoek worden gedaan zodra die feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
3.2
Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
Beoordeling
3.3
Mr. Doornbos heeft op 17 oktober 2023 namens verzoekster een wrakingsverzoek ingediend. Dit verzoek is diezelfde dag rond 13:00 uur behandeld. Uit de bij de wrakingskamer ambtshalve bekende gegevens volgt dat omstreeks 13:44 uur door de wrakingskamer uitspraak is gedaan en dat de raadsheren hierbij aanwezig waren. Omdat mr. Doornbos niet aanwezig was bij de uitspraak is hij per e-mail van 13:50 uur van de uitspraak op de hoogte gesteld. Direct na de uitspraak van de wrakingskamer is de mondelinge behandeling in de hoofdzaak hervat. De wrakingskamer gaat ervan uit dat dit rond 14:00 uur is geweest en dat het tijdstip van ‘13:30 uur’, zoals door de raadsheren is aangevoerd en door mr. Doornbos tijdens de wrakingszitting is erkend, abusievelijk verkeerd in het proces-verbaal is opgenomen. Bij die mondelinge behandeling in de hoofdzaak waren verzoekster en mr. Doornbos niet aanwezig. Mr. Doornbos heeft op 18 oktober 2023 bij het hof navraag gedaan over de voortgang van de hoofdzaak. Op 23 oktober 2023 is hem bericht dat de mondelinge behandeling op 17 oktober 2023 is hervat en dat de zaak staat voor arrest op 2 januari 2024.
3.4
De wrakingskamer overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek als volgt. Het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die daarvoor aanleiding geven aan verzoekster bekend zijn geworden. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de procedure te voorkomen. De door verzoekster aangevoerde omstandigheden zijn aan haar bekend geworden op 23 oktober 2023 en het wrakingsverzoek is gedaan op 31 oktober 2023. Dat over het wel of niet indienen van het wrakingsverzoek langere tijd is nagedacht, is geen rechtvaardiging voor dit tijdsverloop van acht dagen. Het wrakingsverzoek is daarom te laat gedaan en verzoekster kan dan ook niet worden ontvangen in het verzoek.
3.5
Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat ook indien het wrakingsverzoek tijdig zou zijn gedaan dit niet tot een toewijzing daarvan had geleid. Verzoekster vindt de raadsheren vooringenomen, omdat deze een volgens verzoekster onjuiste beslissing hebben genomen door de behandeling in de hoofdzaak op 17 oktober 2023 na de beslissing van de wrakingskamer direct te hervatten.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer beoordeelt dus niet de juistheid van de (motivering van de) (tussen)beslissing. Daarover kan alleen in cassatie bij de Hoge Raad worden geklaagd.
Ook als de wrakingskamer de motivering onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier vindt of als de motivering ontbreekt, is dat geen grond voor wraking. Alleen als uit de motivering van een beslissing in het licht van alle omstandigheden en objectief gezien blijkt dat de raadsheren die haar hebben gegeven vooringenomen zijn, is dat een grond voor wraking. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit de in de motivering gebruikte bewoordingen. Dat is hier niet het geval en ook overigens getuigt de beslissing niet van een zodanige inhoud dat daaruit moet worden geconcludeerd dat de raadsheren vooringenomenheid jegens verzoekster koesteren. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek niet toewijsbaar zou zijn geweest.

4.De beslissing

De wrakingskamer verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is op 21 december 2023 gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, J. Piena en I.A. Haanappel-van der Burg, in tegenwoordigheid van mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en ondertekend door mr. I.A. Haanappel-van der Burg.