Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning te [Z] waarvan de WOZ-waarde voor 2015 door de gemeente is vastgesteld op €432.000. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het geschil betrof de vraag of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. Belanghebbende voerde onder meer aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzage had gegeven in de gebruikte waardematrix en dat waardedrukkende factoren zoals huurwoningen in de omgeving, bouwwerkzaamheden, en lekkages onvoldoende waren meegewogen. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen de erfpachtcorrecties en het ontbreken van een korting die in latere jaren wel werd toegepast.
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De gebruikte vergelijkingsobjecten waren passend en de gehanteerde correcties waren in lijn met eerdere jurisprudentie. De door belanghebbende aangevoerde waardedrukkende factoren waren onvoldoende onderbouwd. Ook werd geoordeeld dat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw moet worden vastgesteld en dat latere waarderingen geen betekenis hebben voor eerdere jaren.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.