Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.RECREATIE BEHEER B.V.,
NOORD HOLLAND RECREATIE SERVICE B.V.,
1.VERENIGING VAN EIGENAREN RECREATIEPARK BOHÉMIEN RESORT,
[geïntimeerde 2] ,
[geïntimeerde 3],
[geïntimeerde 4],
[geïntimeerde 5],
[geïntimeerde 6],
[geïntimeerde 7] (erfgenaam van [A.] ),
de gezamenlijke erfgenamen van [B.],
[geïntimeerde 9],
[geïntimeerde 10],
[geïntimeerde 11],
[geïntimeerde 12],
[geïntimeerde 13],
[geïntimeerde 14],
[geïntimeerde 15],
[geïntimeerde 16],
[geïntimeerde 17],
[geïntimeerde 18],
[geïntimeerde 19],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
- de onderhoudskosten van-, de afschrijvingen van -, de instandhouding en exploitatie van:
- openbare wegen en parkeerplaatsen
- openbare groenvoorzieningen
- openbare waterpartijen
- verlichting, verbruik daaronder begrepen
- civiel-technische werken zoals riolering en dergelijke
- toegangscontrole, exploitatie daaronder begrepen;
- de dienstverlening, verband houdende met respectievelijk voortvloeiende uit:
- algemene bewoners service
- toezichthoudende werkzaamheden in het park
- bewaking van de onroerende zaak;
- de verzekeringen, onroerende zaak belasting, alsmede heffing van gemeente/provincie/rijksoverheid/waterstaat, in verband staande met respectievelijk voortvloeiende uit (het gebruik van) de algemene voorzieningen.
3.Beoordeling
De jaarlijks per de eerste januari van ieder jaar vast te stellen bijdrage. Het hof maakt hieruit op dat met
het jaarlijkse bedragin het herzieningsbeding wordt bedoeld de jaarlijks op 1 januari vast te stellen bijdrage in de parkkosten voor het komende jaar. In artikel 23 van Pro de leveringsakte komen de woorden ‘voorschot’ en ‘eindafrekening’, of woorden van gelijke strekking, verder niet voor. De enkele omstandigheid dat het bij huurwoningen en bij Verenigingen van Eigenaars gebruikelijk is om servicekosten af te rekenen via voorschotten en eindafrekeningen, brengt niet met zich dat een soortgelijke afrekeningsmethodiek niettemin in het beding kan worden ingelezen.
zodrade werkelijke kosten structureel hoger respectievelijk lager zijn dan het geldende jaarlijkse bedrag, in combinatie met het feit dat iedere andere aanwijzing ontbreekt, leidt het hof echter af - met inachtneming van de objectieve uitlegregels - dat het beding beoogt dat het jaarbedrag wordt vastgesteld
ophet niveau van die werkelijke kosten.