Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek tot schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis in twee strafzaken. Hij vordert een bedrag van €16.120 voor de geleden schade, alsmede kosten rechtsbijstand van in totaal €1.020.
De rechtbank had het verzoek tot schadevergoeding afgewezen omdat appellant in voorlopige hechtenis zat vanwege psychiatrische problematiek en het risico op herhaling van strafbare feiten. Tijdens de strafzaak werd appellant ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid en werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Tegelijkertijd werd een zorgmachtiging verleend op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wfz), die vrijheidsbenemende maatregelen mogelijk maakte.
Het hof bevestigt dat de voorlopige hechtenis gerechtvaardigd was door de psychiatrische problematiek en de voortvarendheid van de procedures. Het argument dat feitelijk geen vrijheidsbeneming op grond van de zorgmachtiging plaatsvond, leidt niet tot een andere beoordeling. Het hof wijst het verzoek tot schadevergoeding af, maar kent wel een vergoeding van €1.020 toe voor de gemaakte kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg en hoger beroep. De beschikking van beroep wordt vernietigd en opnieuw recht gedaan.