In deze civiele zaak vordert Nortra Holding N.V. de opheffing van door [geïntimeerde] gelegde beslagen op aandelen en derdenbeslag. [geïntimeerde] baseert zijn vorderingen op een geldlening die oorspronkelijk aan [naam 1] is verstrekt en op een fusieovereenkomst tussen partijen. Het hof stelt vast dat de lening niet aan Nortra, maar aan [naam 1] is verstrekt en dat de cessie van de vordering op Nortra niet aannemelijk is.
Daarnaast heeft [geïntimeerde] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen het vermeende tekortkomen van Nortra in de fusieovereenkomst en de door hem gestelde schade. Het hof oordeelt dat het beroep op derdenbescherming faalt en dat de vordering uit de fusieovereenkomst ondeugdelijk is.
Gelet op deze bevindingen wordt het beslag opgeheven. De belangenafweging leidt tot de conclusie dat de belangen van Nortra bij opheffing zwaarder wegen dan de belangen van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.