ECLI:NL:GHAMS:2023:2901
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep partneralimentatie, voortgezet gebruik woning en verdeling registergoederen na echtscheiding
Partijen zijn in 2005 gehuwd en hebben een minderjarige zoon. Sinds 2020 woont de man in Dubai en de vrouw met het kind in de echtelijke woning te [plaats A]. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken, partneralimentatie vastgesteld op €1.000 per maand, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend en de verdeling van registergoederen geregeld.
De man kwam in hoger beroep tegen de alimentatie, het gebruik van de woning en de verdeling van registergoederen. Hij stelde geen draagkracht te hebben vanwege medische omstandigheden en ontkende het recht van de vrouw op de woning. De vrouw handhaafde haar standpunten en benadrukte de belangen van het kind en haar woonplaats.
Het hof oordeelde dat de man onvoldoende bewijs leverde van zijn financiële situatie en medische noodzaak. De vrouw toonde aan dat de man wel draagkracht heeft. Het belang van het kind en de vrouw bij voortgezet gebruik van de woning weegt zwaarder dan het belang van de man. Het hoger beroep tegen de verdeling van registergoederen is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-inschrijving in het rechtsmiddelenregister.
Het hof bekrachtigde de echtscheiding, partneralimentatie en het gebruik van de woning en verklaarde de man niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen de verdeling van de registergoederen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de echtscheiding, partneralimentatie en het voortgezet gebruik van de woning en verklaart de man niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen de verdeling van registergoederen.