Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2023:2257

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 juni 2023
Publicatiedatum
4 oktober 2023
Zaaknummer
23-000261-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 394 lid 1 Boek 2 BWArt. 394 lid 3 Boek 2 BWArt. 378a SvArt. 359 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet tijdig openbaar maken jaarrekening door rechtspersoon

In deze strafzaak stond centraal dat de verdachte, een rechtspersoon gevestigd in Nederland, niet binnen de wettelijke termijn van twaalf maanden na afloop van het boekjaar 2018 de jaarrekening openbaar heeft gemaakt zoals vereist in artikel 394 lid 1 Boek Pro 2 BW. De zaak kwam in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam nadat de economische politierechter de verdachte had veroordeeld tot een geldboete.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 1 juni 2023 bekende de vertegenwoordiger van de verdachte het ten laste gelegde feit. Het hof achtte het bewezen dat de jaarrekening op 2 november 2020 nog niet was gedeponeerd bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De overige tenlasteleggingen werden niet bewezen verklaard.

Hoewel het feit strafbaar is gesteld als overtreding van artikel 394 lid 3 Boek Pro 2 BW, en de verdachte strafbaar is, besloot het hof geen straf of maatregel op te leggen. Dit vanwege de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, de verklaring van de vertegenwoordiger en het feit dat de rechtspersoon inmiddels is opgeheven, waardoor een voorwaardelijke straf niet passend werd geacht.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en de eerder uitgevaardigde strafbeschikking en deed opnieuw recht door het bewezenverklaarde vast te stellen, de verdachte vrij te spreken voor het overige en geen straf op te leggen.

Uitkomst: Verdachte is bewezen de jaarrekening niet tijdig openbaar te hebben gemaakt, maar het hof legt geen straf op.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000261-22
datum uitspraak: 1 juni 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 februari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 82-108462-21 tegen:
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2023.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de vertegenwoordiger van de verdachte naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij in de gemeente Haarlem, althans in Nederland, als rechtspersoon niet uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar 2018, op de in artikel 394 lid 1 Boek Pro 2 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze de jaarrekening van dat boekjaar openbaar heeft gemaakt, aangezien op of omstreeks 2 november 2020, voormelde jaarrekening nog niet openbaar was gemaakt door nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar, ten kantore van het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij in Nederland als rechtspersoon niet uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar 2018, op de in artikel 394 lid 1 Boek Pro 2 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze, de jaarrekening van dat boekjaar openbaar heeft gemaakt, aangezien op 2 november 2020 voormelde jaarrekening nog niet openbaar was gemaakt door nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar, ten kantore van het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

Nu de vertegenwoordiger van de verdachte het ten laste gelede feit heeft bekend en door of namens de verdachte geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met betrekking tot deponering jaarrekening boekjaar 2018 van 27 november 2020 (p. 1-3);
de bekennende verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2023.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 394, derde lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Geen straf of maatregel

De economische politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 600,-.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 600,-.
Het hof overweegt het volgende. De verdachte heeft niet binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar 2018 de jaarrekening van dat boekjaar openbaar gemaakt. Indachtig de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, zoals door de vertegenwoordiger van de verdachte ter zitting in hoger beroep naar voren is gebracht, en de omstandigheid dat de rechtspersoon inmiddels is opgeheven, waardoor een voorwaardelijke straf niet geboden is, acht het hof het raadzaam te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 28 april 2021 onder CJIB nummer
[nummer].
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. S. Jongeling en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
1 juni 2023.