ECLI:NL:GHAMS:2023:1808
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst woonruimte afgewezen wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf elders
De zaak betreft een geschil tussen appellant en woningstichting Eigen Haard over de ontbinding van een huurovereenkomst van woonruimte. Eigen Haard stelde dat appellant in strijd met zijn contractuele verplichtingen geen hoofdverblijf in de woning had, maar elders verbleef, en vorderde ontbinding van de huurovereenkomst. Het hof heeft een bewijsopdracht aan Eigen Haard gegeven om dit te bewijzen.
Eigen Haard heeft twee getuigen gehoord die verklaringen aflegden over bezoeken aan de woning van appellant, zijn bedrijfsruimte en de woning van zijn vriendin. De verklaringen waren echter onvoldoende concreet en eenduidig om aan te tonen dat appellant zijn hoofdverblijf niet in de gehuurde woning had. Het hof concludeerde dat appellant mogelijk vaak elders verbleef, maar dat dit onvoldoende is om te concluderen dat hij zijn hoofdverblijf niet in de woning had.
Het hof oordeelde dat zelfs als het bewijs wel geleverd was, de tekortkoming te gering was om ontbinding te rechtvaardigen. Daarnaast wees het hof de vorderingen van Eigen Haard af en veroordeelde het Eigen Haard tot terugbetaling van door appellant betaalde kosten en in de proceskosten. Appellant moet voor overige vorderingen een nieuwe procedure starten. Het arrest is gewezen door drie rechters en op 25 juli 2023 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De ontbinding van de huurovereenkomst wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat appellant zijn hoofdverblijf elders had.