Het gerechtshof Amsterdam heeft op 2 mei 2023 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 december 2020. De zaak betreft ontuchtige handelingen gepleegd door de verdachte met een minderjarig meisje van circa vijf jaar, dat aan zijn zorg was toevertrouwd.
Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. De bewijsoverweging over het steunbewijs is vervangen en het hof acht de verklaring van het slachtoffer voldoende gesteund door de verklaring van haar moeder en de wijze waarop het slachtoffer het misbruik heeft verteld. De verdachte is veroordeeld voor ernstige schending van de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer.
De straf is door het hof vastgesteld op 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het hof legt bijzondere voorwaarden op, waaronder een contactverbod met het slachtoffer en haar moeder en een locatieverbod binnen 250 meter van een bepaald adres. De rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden zijn niet overgenomen vanwege het reclasseringsadvies.
Er is sprake van een geringe overschrijding van de redelijke termijn, die het hof constateert zonder nadere sancties. De straf wordt volledig in detentie uitgevoerd, met aftrek van het voorarrest. Het hof benadrukt de ernst van het delict en de impact op het slachtoffer en haar omgeving.