Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Uitspraak van 13 januari 2022
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Verzekerings- en premieplicht
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende was in 2011 werkzaam als Rijnvarende aan boord van een motortankschip met een geldige Rijnvaartverklaring waarop een Nederlandse exploitant stond vermeld. De Inspecteur legde aanslagen IB/PVV op, welke belanghebbende betwistte met het argument dat hij in België verzekerd zou zijn.
De Rechtbank oordeelde dat belanghebbende premieplichtig was in Nederland en wees zijn beroep af. In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof dit oordeel. Het Hof overwoog dat de Rijnvarendenovereenkomst exclusief de wetgeving aanwijst van de staat waar de exploitant van het schip gevestigd is, hier Nederland.
Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het schip niet mede in de Rijnvaart werd gebruikt. Ook het subsidiaire standpunt dat premies in Luxemburg verrekend moesten worden, werd verworpen op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de Nederlandse premieheffing volksverzekeringen wordt bevestigd.