ECLI:NL:GHAMS:2022:539

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 februari 2022
Publicatiedatum
23 februari 2022
Zaaknummer
23-002722-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke invoer van 43 bollen cocaïne door inslikken

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor het opzettelijk invoeren van 43 bollen cocaïne door deze in te slikken en per vliegtuig van Aruba naar Nederland te vervoeren.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 17 september 2021 te Schiphol een hoeveelheid cocaïne het Nederlandse grondgebied heeft binnengebracht. De hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel, wat gepaard gaat met ernstige criminaliteit.

De verdachte, een first offender, werd in eerste aanleg veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf. In hoger beroep legde het hof een gevangenisstraf van 132 dagen op met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 30 uur. Het hof vond een vrijheidsbenemende straf passend gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden, maar hield rekening met de reeds doorgebrachte voorlopige hechtenis en de persoonlijke situatie van de verdachte.

Het vonnis werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 8 februari 2022.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 132 dagen gevangenisstraf en 30 uur taakstraf voor opzettelijke invoer van cocaïne.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002722-21
datum uitspraak: 8 februari 2022
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 oktober 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-250414-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 februari 2022.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 17 september 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 17 september 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 132 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een taakstraf voor de duur van 64 uren subsidiair 32 dagen hechtenis.
De raadsman heeft verzocht op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen waarvan 18 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de duur van voorarrest, en een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 43 bollen cocaïne door deze in te slikken en vervolgens per vliegtuig van Aruba naar Nederland te reizen. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van ook zeer ernstige en zware criminaliteit.
Bij de keuze voor de aan de verdachte op te leggen straf en het bepalen van de hoogte en aard daarvan heeft het hof als uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd voor het invoeren van harddrugs in Nederland. De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) noemen voor het invoeren van een hoeveelheid van 200 tot 500 gram cocaïne een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 tot 6 maanden.
Het hof is van oordeel dat in beginsel voor een dergelijk feit niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf.
In het voordeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte volgens zijn justitiële documentatie niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Nu de verdachte 132 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en sinds kort de voorlopige hechtenis is geschorst, acht het hof het onwenselijk dat de verdachte terug in detentie moet en zal het naast de reeds uitgezeten gevangenisstraf een taakstraf opleggen.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
In de hoeveel aangetroffen cocaïne, de leeftijd van de verdachte die een
first offenderis, ziet het hof reden een taakstraf van een kortere duur dan door de advocaat-generaal is gevorderd op te leggen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
132 (honderdtweeëndertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. J.H.C. van Ginhoven, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 februari 2022.
mr. A.M.P. Geelhoed en mr. J.H.C. van Ginhoven zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.